Knieperig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

"Pappa, vertel nog eens over de boerderij van Opa, dat vind ik altijd zo mooi", vroeg de kleine Bertus aan zijn vader, "maar dan wel in het Achterhoeks", voegde Moeder eraan toe, "je praat toch altijd al Nederlands tegen de kinderen; zo leren ze het nooit!" Met 'het' bedoelde ze natuurlijk haar dialect. "Goed", zei Vader, terwijl hij zijn schrijverij opzij legde, "loa'k de knippe der dan mar is veur gooien; 'k heb vandage zat eschree'm". "Wat is de knippe derveur gooien?" vroeg Bertus. Vader zei dat je dan stopte met werken. "De knippe is een grendel, die je op een deur schuift om die af te sluiten". Vader ging verder in zijn dialect. Hij vertelde dat een knippe ook een portemonnee is, en wel eentje met grote beugels erop, dee'j dichte konden kniepen. "Dan zeg e 'knip' en dan is e dichte, vandoor de name 'knippe'". Hij vroeg of Bertus wist wat de mensen van iemand zeiden, die zijn geld niet uit wilde geven. Neen? "Hee höldt zien hand op de knippe; hee knip dan de knippe stief too, dan kan den nee' lösgoan!" "Zo iemand is gierig", zei Bertus. Vader zei dat zo iemand ook zuinig kon zijn en dat er verschil was tussen zuinigheid en gierigheid. En hij gaf het mooie voorbeeld van mensen die het niet breed hebben, maar hun kinderen graag wilden laten studeren. Daar hebben zij dan al hun geld voor over. "Zee holdt de hand wel op de knippe, mar nee' veur de kinder. Zukke luu bint gin kniepers. Op de boerderieje bie Opa kwammen welis echte kniepers; dee vielen dood op een cent. Ik zal oe door is een veurbeeld van gee'm". En Vader vertelde een verhaal uit zijn jeugd. Dat er een keer, eind juli, een veehandelaar op de boerderij kwam, of Opa nog koeien te koop had. "Jawel, mar doa goa ik volgende wekke met noa de beestenmarkt in Dèèmter", zei Opa. Na wat heen en weer gepraat was Opa ervan overtuigd dat hij minder kosten zou hebben, als hij nu de beesten die hij kwijt wilde, verkocht. "Mar, de koopman viel dood op vief gulden wisselgeld, dee Opa hem later betalen wol. Zoo knieperig was dee keerl". Vader maakte goed duidelijk dat Opa dat geld even niet had, maar dat hij die week daarop toch naar de veemarkt moest om andere dieren te verkopen. Dan zou hij dat wisselgeld meebrengen.

Bertus had aandachtig geluisterd. Hij vond 'knieperig' een heel mooi woord. "Joop is ook knieperig", zei hij toen. "Wie is Joop?" "Dat is de jongen die op school tegenover me zit. Die had laatst een zak drop. Dacht U dat ik er eentje van kreeg. Hij zei dat ik een schooier was, dat ikzelf maar drop moest kopen. Ik heb niks gezegd, maar ik dacht, dat hij nooit mijn vrindje zijn kon".

Het was even stil in de kamer. Toen ging Vader verder over de boerderij van Opa. Hij vertelde dat er veel mollen gevangen moesten worden, dat daarvoor knippen of klemmen in de woelritten, mollengangen, gezet moesten worden. Zo'n knip werd ook wel eens een stappe genoemd, omdat hij in de 'loop' van de mol gezet werd. "Zoo was der is een molle, dee zag een stappe stoan. 'k Gleuve, zei dat dierken, da'k wieder neet mot goan. Want aanders krie'k een zwieperd van dee gemene knieperd. En de molle ging weerumme". En Vader vertelde dat hij eigenlijk loog, want dat mollen blind waren. En hij leerde Bertus de uitdrukking 'zo blind als een mol'.

Toen het verhaal uit was, ging Bertus buiten spelen. Het rijmpje van de mol zei hij steeds maar weer op; en toen hij Joop zag, liep hij meteen op hem af. "Ik ken een woord dat jij niet kent en jij bent het", zei hij. "Wat dan?" - "Knieperig". - "Ben ik knieperig? en wat is dat dan wel?" - "Zoek dat zelf maar uit. O nee, voor een paar dropjes vertel ik het je" - "Nee hoor, mijn dropjes snaai ikzelf op". - "Zie je wel? Je bent het echt". - "Wat?" - "Wat ik zei, knieperig". En Bertus ging met de andere kinderen spelen.