Klötjen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Twekkelo. De camping is klein en mooi. Als we een plaatsje voor ons mobiele huis gevonden hebben, rijd ik de woonwagen in een vloeiende beweging op zijn plaats. Het geheel staat precies waterpas, dus ik kan na de afkoppeling onmiddellijk beginnen met inrichten. Als de luifel staat, het gas bedrijfsklaar is, de elektriciteit aangesloten, zet ik mezelf in een stoel onder de luifel in de schaduw, want het is heet.

Ik zit nauwelijks, een knal als van een karabijnschot, en voor me valt een eikel in een kapje. Ik kom onder de luifel vandaan. Ik zie dat ik de wagen onder een eik geplaatst heb, heel dom in de een na laatste week van augustus, want de eerste bosvruchten beginnen al te vallen. Ik overleg met Ali. Wij vinden het niet nodig een andere plaats te zoeken, want de echte valtijd voor kastanjes en eikels moet nog komen. Ik raap de eikel op en bekijk hem eens goed. Hij heeft inderdaad bruine plekjes. De eikel met kapje is precies een alpinopetje met een kopje eronder. Zelfs het steeltje van het 'alpinootje'

midden op het dakje is aanwezig. Het kopje is net het hoofd van Lange Jansen met zijn 'klotje', die vroeger met zijn kleine hondje dagelijks enkele keren door onze straat kwam wandelen. Wij noemden zijn muts geen alpino, maar kalotje, klotje, in het dialect 'klötjen'.

Na de fijne vakantie in Twekkelo rijden we naar de Achterhoek, Dinxperlo. Het is nog heerlijk weer en we gebruiken de dagen goed, buiten. We gaan op de fiets naar Doetinchem. Dat is ruim twintig kilometer. De eikel is al verdwenen in mijn 'geheugenzak'. Terwijl Ali inkopen doet, zit ik op een hoge stoep voor een winkel mensjes te kijken. En wie komt daar aan? Lange Jansen. Maar dat kan niet. Die is al jaren niet meer in het land der levenden! De man die langs komt, lijkt sprekend op hem. Hij is enkel wat ouder. Hij draagt op zijn hoofd een klötjen met een steeltje, precies zo een als Jansen droeg, en zo'n muts heb ik ook nog op gehad in de dertiger jaren van de vorige eeuw. Dat is sterk! Het klötjen laat me nu niet meer los. Het houdt mijn gedachten bezig. Jansen heeft mijn eikel uit mijn zak gehaald en die in mijn hand gelegd met "Vertaaldman, maak er wat van".

Kalot, het Franse calotte, mutsje. De priesters dragen het op hun kruin. Dat wil niet zeggen dat priesters eikels zijn natuurlijk. Een kalot is trouwens ook het bolle 'kapwerk' van een koepelgewelf. Ons kalotje is een muts die vooral vroeger door kinderen en kaalhoofdige mensen gedragen werd. Ik zie niet veel klötjes meer. De van oorsprong Franse baret is, ik denk door de Tweede Wereldoorlog, in de mode gekomen. Ik moet eerlijk zeggen dat die de mens ook niet zo'n 'eikelig uiterlijk' geeft. Op oude foto's, op straat gemaakt, zie je veel kinderen met petten en klötjes op. De jongens droegen meestal een pet, de meisjes een klötjen. Maar er waren ook jongens die klötjes droegen.

Na ons bezoek aan Doetinchem heb ik er extra op gelet, maar ik heb niemand gezien die een klötjen droeg. Ik zou wel willen weten wie van mijn lezers een kalotje draagt, nee, geen baret. Zelf heb ik eens een kalotje proberen op te rekken tot baret. Ik was toen in militaire dienst bij de 'zwarte baretten', maar er waren in 1947 niet genoeg zwarte baretten, ik moest genoegen nemen met een bruinige. Dat oprekken gelukte natuurlijk niet. Pas later kreeg ik een zwarte baret. Die hadden ze in de verf gedoopt. Een zwarte kring op mijn voorhoofd was na zweten goed te zien! Ik draag nu een witte pet tegen de zon, een hoedje tegen de regen. Een kalotje voor een wat oudere man heb ik niet. Ik weet niet of er in ons huis nog ergens een klötjen te vinden is. Ik vermoed van niet.