Klöskes

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

De vader van die jongen kon goed vliegers maken. Hij haalde afvallatjes bij de timmerfabriek bij ons aan de overkant en hij maakte een manshoge vlieger in de vorm van een dubbele driehoek, bijna een ruit. "Noe za'k oe in de werkplaatse is een mooi klösken touw klöörmaken". Ik mocht ook mee naar de schuur. De man greep een oude bezemsteel. "Disse bessemstelle is wel goed". Hij zaagde er een klos af, zocht daarna met zijn ogen het schap boven de werkbank af, pakte een bol, een kluit, dun vliegertouw. Het gat in die kloot, klos, bood precies ruimte om het stuk hout in te slaan. "Zo, noe is oew klösken hoaste klöör", zei hij. "Let noe op. Nemt dee olde klos uut de weverieje is". Zijn zoon pakte de kegelvormige weefklos, die in de hoek van de schuur stond. De vader zette hem op een pen die in de werkbank geslagen was. Hij zocht het begin van de klos touw, sloeg dat een paar keer om de kolom. "Dreien", zei hij. De zoon wond zonder vragen het touw op de klos. Zijn vader wikkelde af. Tenslotte schoot het eind los van het stuk bezemsteel. "Kiek, dat gebeurt der noe, as iej het vlegertouw neet an de stelle bindt!" lachte de man. "Dan vlug oe de vleger oaver de huzen vort. En dan is het sjanken ebloazen!" Toen leerde hij zijn zoon hoe je een klos opwindt. Eerst rondjes draaien in het midden van de klos, dan linksom-rechtsom, "umme en umme" wikkelen. Even later stonden we met z'n drieën aan de IJssel en we lieten op de noordwesten wind de vlieger boven de stad drijven in de al herfstige lucht. Langs het gladde touw sturen we gevouwen papiertjes, als het ware scheepjes met een zeil naar boven, met onze boodschappen erop gekrabbeld.

Oorlog. 1944. Opgepakt. Verplicht tankgrachten en loopgraven maken. Een Duitse vlieger wordt boven onze hoofden neergeschoten. Die hebben we niet aan een 'klösken' touw. Of wel? Misschien zat het eind van dat touw niet goed vast. Ik zit net te schaften. Het is tussen de middag. Ik kijk hoe de vliegenier aan zijn parachute naar beneden komt. Gelukkig is hij deze keer nog niet de 'klos'. Plotseling een gebonk over en een stekende pijn in mijn linkervoet. Een kar met knollen klost over mijn beide klompen. De kap vliegt van de ene klomp. De andere is gebarsten. Ik was zo blij met deze klompen toen ik ze net voor mijn verjaardag kreeg, dat ik ze liefkozend "mien klöskes" noemde. Nu zijn mijn klöskes, mijn klumpkes, mijn klompjes gebroken. En ... het is het enige schoeisel dat ik heb. Wat nu? Het is niet dat ik niet vol trots zeggen kan: "Ik goa vandage op de klöskes!" Ik kan niet meer over straat 'gaan', goan of lopen of klossen. Mijn lotgenoten hebben medelijden. Ze geven goede raad en ... goedkoop. Met paktouw - waar vandaan? - binden we de kap van de linkerklomp weer vast. De rechterklomp kan nog gebruikt worden, als ik niet klos, maar schuifel. Zo kom ik thuis. Toch op de klöskes. Met resten van een versleten buitenband van een fiets timmer ik de kapjes muurvast op de klompen.

De groep boerendansers die optreedt, klost vrolijk over het podium. Hun klöskes zijn inwit geschuurd. Ik denk aan onze geschuurde klöskes voor de oorlog, aan de gebarsten klöskes die ik mocht overleven, en ik dans in gedachten blij mee. Klöskes heb ik altijd nog: in de tuin heb ik ze nodig, als we met de caravan in de regen staan, gebruik ik ze. Het hele jaar doen ze dienst. En als ik dan geknield lig bij een bloembed, om te verwijderen wat er volgens mij niet hoort, dan zie ik nog weleens die vliegenier zijn zachte landing maken. En dan voel ik me "domweg gelukkig". Gelukkig herinneren mijn klöskes me er steeds weer aan, dat ik met beide benen op de grond moet blijven, ook al vlieg ik.