Keukelderieje

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

In de hal gaan we zitten, de conciërge en ik. Er is verder nog geen mens, terwijl de lessen voor deze klas om tien over acht beginnen. En het is al bijna zo laat. We kijken door de glazen hal naar buiten, zwijgend rokend. Dan komt er een oude kever de hoek om, en een eendje, en een fiatje, en een koekblikje. De karretjes rijden onze oprit op. "Dat zijn de jongens van de Aateejes", zegt de conciërge. "Die hebben vast geruild met Uw klas. Dit is een één-aprilgrap". Natuurlijk, de auto-technische-school staat hier niet zover vandaan. "Vlug", zeg ik, "trek Uw jasje aan, ik ben de conciërge, U is de docent Nederlands". Als de jongens bij de glazen dubbele voordeur komen, doe ik net open. "Goeiemorgen, ik ben Hogenberg, de conciërge van deze opleiding. Wat is er van Uw dienst?" De woordvoerder antwoordt me beleefd. "Het is 1 april vandaag, en wij zouden graag een les voor kleuterleidsters van de heer Kuijk ontvangen". "Dat kan, ik zal hem even aan U voorstellen". En ik roep de heer Hogenberg. Die stelt zich voor als "Kuijk, Gerrit Willem voor vrienden, maar mijnheer voor jullie!" Het goochelen, de misleiding, het foppen met onze namen lukt. Het wordt echt, heel echt een één-aprilgrap.

Hogenberg neemt de jongens mee naar mijn lokaal, en het begoochelen van die knapen wordt nog mooier. De middeleeuwer zou zeggen, kijkende uit het universum op deze klas: "Die conciërge gookt niet één keer, nee, hij gookt bij herhaling; hij gokelt". Af en toe loer ik door de ramen naar binnen. De zinsbegoocheling van de jongens is honderd procent.

Dan loop ik, na zo'n kleine twintig minuten, het lokaal in, en ik vraag: "Hoe gaat het?" "Fijne les", is het antwoord. Dan staat mijn conciërge op, wijst op me, zegt: "Mag ik jullie even voorstellen? De heer Kuijk, leraar Nederlands, Letterkunde, Kinderliteratuur aan deze opleiding voor kleuterleidsters!" Even is het heel stil. De begoocheling is volledig geweest. Dan ineens is de betovering verbroken. Een schaterend lachen klinkt, hoorbaar tot in de directeurskamer blijkbaar, want een paar seconden daarna kijkt de nieuwsgierige kop van de directeur door het gangraam. De conciërge gaat aan zijn eigen werk en ik ga door met zijn les. Ik besluit het bekokelen of bekeukelen nog even voort te zetten. Dan vraagt de woordvoerder plotseling of ze weg mogen. "Ik ben bang dat onze directeur kwaad wordt", zegt hij. Dat vind ik natuurlijk goed.

Nu, achteraf, na een kwart eeuw ongeveer, heb ik er spijt van dat ik geen lesje over het Nedersaksische keukelderieje, misleiding, gegeven heb. Ik vind namelijk dat die auto-jongens toen wat gemist hebben, veel zelfs gemist hebben. Bijvoorbeeld dat in het Grieks een kauka een toverbeker is; dat in koken, gereed maken, keukelen, misleiden, die beide kaa's nog voorkomen. En wat zouden ze moeten denken van een naam als Kuijk? Zet er maar -el achter. Die morgen heb ik immers aardig 'gekukeld', 'gekuijkeld', 'gekeukeld'. Zelfs heb ik hun niet verteld dat mijn schoonvader niet naar de bioscoop ging, "want dat is allemoale ogenbekeukelderieje!" Dat was allemaal gezichtsbedrog. Nog letterlijker in het Nederlands vertaald: zinsbegoocheling. Een goede taalkenner, familielid van me, is in zijn vrije tijd jongleur. Ik ken hem. Hij doet het met vijf voorwerpen. Hij weet ze onophoudelijk in de lucht te houden. De dingen cirkelen als betoverd. Die man kan goochelen met woorden en jongleren met dingen, wat een heel grote gave is. 'Jongleur', 'goochelaar', 'keukeler', ze zijn waarschijnlijk alle afkomstig van het Latijnse 'joculari'. Hoe het ook zij, keukelderieje of keukelerieje is zo oud, zo oud als de wereld. En ... alles op aarde goochelt mee. Onze zinnen bekeukelen ons immers altijd!