Kerkhofbleumkes

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Als ik midden op de dag, zoals nu, de Diepenveense kerkklokken hoor luiden, weet ik meteen hoe laat het is, en ik gedenk voor de zoveelste maal te sterven. Ook vandaag schiet me daarbij een zin te binnen van de bekendste Vlaamse dichter Guido Gezelle: 'Langzaam rijdt de witte wagen ...'. Het is de beginregel van een van zijn 'Kerkhofblommen', een aantal gedichten of versjes naar aanleiding van de dood van een heel jonge vriend van deze Vlaamse pastoor. 'Kerkhofblommen' heet het hele boek waarin deze gedachten over dood en leven verweven zijn. Iedere keer als ik aan Gezelle en zijn gedichten denk, zie ik me weer zitten op dat examen over literatuur. De examinator ging heel eerbiedig met dat boek om. Hij vroeg me eerst of ik iets wist over het leven van Gezelle. Ik vertelde hem dat deze natuurdichter de schoonheid van het leven buiten bezongen had en daarbij de eindigheid van elk natuurlijk gebeuren in het licht plaatste van de eeuwigheid. "Heeft 'Kerkhofblommen' daar ook mee te maken?" vroeg hij. "Jazeker", was mijn antwoord, "De blommen verwelken, de eeuwigheid niet, tenminste volgens Gezelle". Gelukkig vroeg de examinator niet, hoe ik daarover dacht; dat mocht hij waarschijnlijk ook niet, want het was geen godsdienst-examen.

De klokken luiden nog steeds en ik denk aan die middag op de begraafplaats. Een kind plukt een paar sneeuwklokjes, "nakend-eerskes" zoals ze in mijn dialect nog wel zeggen. Ik zie het jongetje lopen naar het graf van een dierbare overledene, Oma, Opa, Mamma, Pappa, zusje, broertje, ik weet het niet. In ieder geval loopt hier een kleine Guido Gezelle, die zijn 'kerkhofbleumkes' gaat brengen ter nagedachtenis aan degene of degenen die plotseling uit dit leven zijn weggerukt, want al gaat sterven soms langzaam, voor nabestaanden komt de dood als een dief in de nacht; meestal weten we dag noch uur.

Ik laat het meestal niet blijken, maar zulke gebeurtenissen als 'Kerkhofbleumkes' naar een graf dragen grijpen me aan.

Bloemen heeft met bloeien te maken, realiseer ik me onder het klokkengebeier. Een bloem ontstaat, raakt in een knop, zij ontspringt, zij verkleurt en verdort of verbrandt of verwelkt. Dat verkleuren begint bij de menselijke bloem vaak al jong. De haren zijn daar een mooi voorbeeld van: ze worden grijs. Veel jonge mensen die hun eerste grijze haar zien, schrikken. Ze stellen het begin van hun aftakeling vast. En dat vinden zij helemaal niet leuk. Er was eens een flinke kerel, die over zijn al grijs worden zijn nood bij mij kwam klagen: "Wat mot ik dööran doon?" "Iej mot oew höör verven", zei ik lachend. "Nee, ik mene hoe-of ik dat older worden of kan remmen?" Ik zei: "De natuur geet oke bie oe zien gank. Niks doo'j deran. Iej mot möör zoo rèkenen, dat de eerste grieze hören 'kerkhofbleumkes' bint. De bleuj begint bie oe veurbie te raken!" De jongeman keek me verbaasd aan. Hij vond het een mooi beeld, zei hij. Waar ik dat toch vandaan had. "Of hei'j dat zellef bedach'?" Ik lachte. Toen zei ik dat de Wijzen uit het oosten kwamen, maar ik voegde er dadelijk aan toe dat dit een grapje was. "Disse zegswieze kump in enkele Nedersaksische dialecten veur", zei ik. "Ik had het wel willen bedenken, möör dee ons veur-egoan bint, bint mien hierin tevens veur-egoan". En ik zei er nog bij, dat 'kerkhofbloemen' in de negentiende eeuw al bestonden, zie de literatuur van Gezelle uit Vlaanderen.

Het is plotseling stil. De klokken zwijgen. Ik sta op en ga voor de spiegel staan. Het mij al vertrouwde beeld van 'kerkhofbleumkes' zie ik. Ze zijn bij mij niet zo zilver. Dat vind ik jammer. Ik ben nogal ijdel. Ik ga weer zitten en tik: Kerkhofbleumkes.