Kamperen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Als ik langs de Holterberg fiets, moet ik aan kamperen denken. Dat komt door het verbod op kamperen dat gold in de tijd van de Tweede Wereldoorlog, voor Nederland van 1940-1945. Voor de oorlog was ik lid van de padvinderij. Onze verkennersgroep kampeerde toen voor het laatst in Lage Vuursche in 1939. Die kampen waren voor ontwakende pubers heerlijk. In de oorlog kwam er een abrupt einde aan die evenementen. Wat was het fantastisch dat we als jongens van een jaar of zeventien, achttien weer de vrijheid kregen ook 's nachts van de natuur te genieten in onze kleine tenten. In de zomer van 1945 gingen we. Hier volgt een alinea in het dialect, zoals ik dat toen beleefd heb:

"Wie zollen noa Holten um an de voot van de Holterberg te goan kamperen. Een olde stoomlokemotief trok een zeutjen beestenwagens achter zich an, wöör wieluu inzatten met de benen buten boord deur de schoefdeuren hen. In Holten mosten wie eerst een ende sjouwen tut onder het viaduct deur in de richting Dèventer, en toen rechtsof tut onderan de Holterberg. Wie vriegen van wee de kamp was, wöör wie kamperen wollen ... ".

Inderdaad was het openbare vervoer toen zo primitief. Personenwagens waren er niet; er waren enkel wagens voor veevervoer. Maar we lieten ons graag als vee vervoeren, want ... "Wie wazzen weer VRIE"! De hooggelegen kamp, een open veld in de naaldbossen, was van een handige boer: "Iej könt op dee kamp oew tenten neerzetten veur niks, möör umdat oke de zunne veur niks opgeet, mot ulie bie mien eerpels en greunte kopen ... ".

En daar zaten we dan in ons eigen kamp, in ons eigen Holten, eigen, ja, omdat HOLTEN anders klonk dan HOUTEN; het was zuiver onze eigen taal. En we spraken in die zomervakantie ook niet anders "as Dèventers". Wist ik toen dat HOLT Oudsaksisch was van meer dan duizend jaar geleden? Dat OLD en KOLD en WO(O)LD en ZOLT en meer van die -OL-woorden ook in het Oudnederfrankisch, het Oudengels, het Oudfries voorkwamen? Ik wist van dit alles niks, maar ik was blij dat ik met de Eigenheimers van Holten in onze eigen taal praten kon, zonder voor een westelijke vreemdeling te worden aangezien. Dat vooral is me bijgebleven: het is fijn de taal van het land te spreken waar men vertoeft. Ik heb erg goed les in Frans gehad. Toen ik met vrouw en kinderen in Frankrijk kamperen ging, ruim dertig jaar nadat ik die lessen genoten had, kon ik me in het Frans behoorlijk redden. Het ging zo goed, dat ik me er echt thuis voelde. Feitelijk was ik er, wat de taal betreft, niet aan het kamperen. Nu weet ik wel dat Hollands sprekenden zich in Holten, Salland, Twente, Achterhoek best thuis kunnen voelen, ook al kennen zij de streektaal niet. Maar dat komt dan mede, doordat de Oostnederlander zich bij de Uitheimer aanpast door zijn taal te gaan spreken. Vaak hoeft de Eigenheimer zich niet aan te passen, omdat hij zijn eigen streektaal al helemaal niet meer spreekt. Dat laatste is jammer, want streektalen zijn rijk aan klanken, woorden, zinswendingen en uitdrukkingsmogelijkheden. De Eigenheimer kampeert in zijn eigen streek dikwijls in een vreemde taal. Kijk, dat doet HOLTEN niet. Het kampeert niet in HOUTEN! Het woont in HOLTEN! Het is "THUUS in zien EIGEN TAAL".

De eigenheimers van de boer aan de voet van de Holterberg smaakten goed, al waren ze wel wat poesterig en roesterig. Ik zou nog heel wat kunnen vertellen over die zomer van 1945, maar dat gaat niet. Ik eindig, nu zittend naast mijn fiets op de kamp van toen, met een losse gedachte: "Wie in Holten geet kamperen, zol dee gin Holtens kunnen leren? Makkelijk zat!"