Kaarsen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

"Ik hebbe gin grote keersen meer en dat is zoo gezellig met Käsoavend en Käsmis", zei de moeder. "Het is kaarsen en geen keersen, en Kerstavond komt na Kerstmis en niet ervoor", bitste de dochter. De moeder werd merkwaardig rustig, als iemand die weet dat zij gelijk heeft en niet op grond van meningen maar van feiten. Ze legde geduldig in haar dialect uit dat Kerstavond de avond van de vierentwintigste december is; ze toonde het haar dochter zelfs in haar dialectwoordenboek: Käsoavend, zn., Kerstavond (24 december). Ze liet zien dat het tussen Käsmis en kassazie stond. Dat laatste woord kende dochterlief helemaal niet. "Des te bèteder", zei de moeder, "want dan weet iej oke neet dat dat vernietiging van een vonnis is, dus hei'j met de strafrechter nooit wat van doon ehad". Toen begon ze over de keersen. "Ik wete da'j der een hekel an hebt da'k dialect proate, möör mien taal is völle oldeder as Nederlands. Ik denke dat keersen dus kump veur kaarsen. En iej kunt op oew kop goan stoan, ik zegge "keerse" tegen een kaars en "keersken" tegen een kleine keerse, en a'k een Roaltesen, een Wiejesen of een Olstesen wazze, zei ik "keersien" of "lichien" en dat is dat!" Ze zei het met stemverheffing. Toen zochten ze samen keerse op in datzelfde dialectwoordenboek: keerse, zn., kaars. Duits: Kerze. Keerse uut, alles uut. "Wat betekent dat laatste moeder?" Moeder keek peinzend voor zich uit. Ze dacht aan haar vader, die in december jarig was. Hij had eens een uitdrukking gebruikt, die goed bij dit spreekwoord paste: Ook märgen kui'j den Iessel zeen, möör goat vandage kieken. Toen vertelde ze haar dochter dat de kaars symbool kan zijn voor je leven. Eerst wordt de stearine of de was gesmolten. Dan wordt het om de pit, je ziel, gestold; dan wordt de keerse aangestoken. Langzaam begint je leven op te branden. De dochter zei dat het soms ook heel snel ging. Op de school waar zij een opleiding tot lerares volgde, was pas nog een student overleden. "De keerse is soms ineens opgebrand", zei zij. Ze betrapte zich erop dat ze maar zo "keerse" zei.

"Ach, het dut der ageeneet too wat der het eerste was, Kerze of kaars, as e möör brandt!" riep de moeder. "Toch wil ik er meer van weten", zei de dochter. Haar belangstelling was ontwaakt. En zo kwam ze bij mij. Ze vertelde me het hele verhaal van de keerse. Samen ontdekten we dat lichtjes bij de Romeinen vaak gemaakt werden door papyrusdraden te dompelen in gesmolten bijenwas. Papyrus is in het Latijn charta, wat in het Nederlands kaart geworden is. Kaart is dus heel duidelijk familie van kaars. Ik had dit ook nooit geweten voordien. Ik was blij dat mijn leerling met haar vraag bij mij gekomen was. Het meisje zei dat zij achteraf toch gelijk had, want dat de -a- in charta ook in kaars staat. Ik maande haar tot voorzichtigheid, want wij zien wel de klinkertekens staan in geschreven woorden, maar we weten niet hoe die tweeduizend jaar geleden precies uitgesproken werden: charta, chaarta, chärta, chaerta. In de laatste twee mogelijkheden is het een klinker tussen -e- en -a- in. Ik vertelde haar dat het dialect van haar moeder stamde uit het Indogermaans, waaruit ook het Latijn komt. "Het blif dus watof der het eerste was, de kippe of het ei", zei zij maar zo in haar streektaal. Ik keek haar verbaasd aan. "Dialect is een echte taal!" Ze zei het, alsof ze altijd gemeend had dat streektalen verbasteringen van de landstaal waren. "Der is mien een keersken op'egoan", zei ze. Sinds die dag, lang geleden, in december, praten wij met elkaar in het dialect. Laatst kwam ik haar nog eens tegen. Ze had twee jonge kinderen bij zich. Ze straalde. Haar kaars brandde nog volop.