Joechteren

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

Als ik voor de winkel op de fiets wil stappen om naar het oude schooltje in Hengforden te rijden, houdt een welluidende stem mij tegen: "Dag meneer, nu kan ik het U eindelijk vragen. U kent mij nog wel. Ik ben een oud-leerlinge van U op de ulo Ceintuurbaan". Ik blijf met één voet op de trapper staan, want ik heb een beetje haast. De vrouw praat intussen door. "Mijn moeder gebruikte vroeger een woord, waarvan wij ons nu nog steeds afvragen waar dat nu eigenlijk vandaan komt. Ik heb al eens een paar keer gezegd dat ik het meneer Kuijk zou vragen, als ik die zou tegenkomen. En dat woord is 'joechteren". Ze zwijgt. Ik besef onmiddellijk dat ze mij een heel oud woord aanreikt, waar ik nu weinig mee kan, want daarvoor heb ik te weinig tijd. "Mijn vader zei altijd dat we niet zo moesten liggen heisteren en tjoechteren; hij zette dus een tee voor dat woord", antwoord ik. "Het lijkt me dus een fijn woord om eens in de krant te bespreken, maar niet eerder dan in juni, want ik ben altijd wat stukjes in het voren", zeg ik in de stijl van het Plat. "In ieder geval bedankt". "Ja, mijn moeder zei altijd: "A'j wilt joechteren, dan goa'j möör nöör de Ceintuurbane". En dat deden we dan". We praten nog wat met elkaar en gaan dan ieder onze eigen weg, zij de winkel in, ik naar Hengforden.

Heisteren en joechteren. Waarom mijn vader tjoechteren' zei, weet ik niet. Misschien had mijn grootvader dat woord meegebracht uit de Achterhoek, Lichtenvoorde misschien, of mijn vader had het op zijn reizen door de Graafschap Zutphen opgedaan. 'Heisteren' verbond hij altijd met 'tjoechteren'. In heisteren zit heister, wat in de Middeleeuwen gebruikt werd als voorwerpsnaam voor de heester en voor de knuppel. In die tijd heisterden de kinderen ook met elkaar. In gedachten zie ik ze langs de IJssel, de Berkel, de Baakse Beek of de Vordense Beek gaan, spelletjes doen met hun knuppels en stokken. Ze heisterden op elkaar in, als echte vechters, maar ontzagen elkaar toch wel; wij deden dat immers ook in onze jeugdjaren. Gelukkig wisten ze niet dat aan 'heister' het woord 'haast' en het begrip 'heftig' en zelfs 'haat' ten grondslag ligt. Aan haast denkend ga ik wat minder snel trappen. Wat heb ik aan dat geheister; zo word ik nat van het zweet.

Joechteren. Dat is een speels begrip. Er zit iets in van 'jagen - joeg - gejaagd'. En ik zie de meisjes en jongens met elkaar stoeien op het speelpleintje voor het schooltje waar ik nu naartoe fiets. Ik denk aan de middeleeuwer die aan het 'joesten' was, een tweegevecht hield met de speer om de dames om het kampterrein met dat 'joesteerspel' te behagen. Ik denk aan het 'joech hei ... joech hei ...!' dat 'gejuicht' werd. Dat voor elkaar 'joechteren' en met elkaar 'joesten' maakt het 'heisteren' tegen en in de puberteit tot een interessant en boeiend spel. Dat spel kan gemakkelijk ontaarden in ruzie; schijngevechten worden dan strijden om iets of iemand. In onze dialecten hebben we daar een uitdrukking voor, die in het Nederlands niet zo netjes gevonden wordt. Dat weten we. Daarom voegen we aan die uitdrukking nog wat toe. "Mien vader zei altied .... ", en dan komt het, "dat joechteren dreit nog op stront uut!" Inderdaad is dat vaak zo. Het speelse schreeuwen en stoeien dat 'joechteren' heet, krijgt een enkele keer een heel verdrietig slot. Jongeren zoeken elkaar nu eenmaal op. Zij willen zich vermaken. Dat is mede het wezen van geheister en gejoechter. Dikwijls ontbreken de plaatsen ervoor. In Hengforden hebben ze nog de ruimte, ook de kinderen van de ouders die dit schooltje nu bewonen, waar ik vijftig jaar geleden mijn loopbaan bij het onderwijs begon. Wat heb ik in de middagpauzes de kinderen van Hengforden en de Eikelhof langs de Wetering laten joechteren.