Jasse

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

De man komt hijgend de garderobe in gehold. "Ik hebbe mien jasse loaten hangen _ . Gelukkig is e nog neet verdwenen!" Het klinkt als een juichkreet. Ik zie dat het een heel bijzondere jas is, keper, heel lang, meer een wijde negentiende-eeuwse mantel. "Hoe of ik dee noe kon loaten hangen!" roept hij. Ik begrijp die opmerking. Dan bekijk ik die man eens wat beter, hij heeft inmiddels zijn jas aangetrokken. Wat een figuur! Ik word er bijna jaloers van. Als deze kerel, zo gekleed ergens binnen komt, dan komt er inderdaad wat binnen. Hij is vast schoolmeester. Ik zie hem een klas vol roerige kinderen binnen treden. Meteen kan ik een speld horen vallen. Het wordt muisstil.

"Iej mot oew jasse gin jasse neumen", zeg ik lachend. "Op dee maniere maak iej der een ordinaer stuksken stof van. Op de keper beschouwd is het een mantel en gin strozak", voeg ik erbij.

Niet begrijpend kijkt de man mij aan. En ik kan weer niet nalaten de schoolmeester te spelen. Ik vertel hem dat, waarschijnlijk na de Middeleeuwen, jas overgenomen is uit het Frans. Een 'paillasse', paai-jas, is een stromatras of strozak. Dit woord werd overgenomen als 'paljas' in het Zeventiende-eeuws Nederlands en ook als 'pias'. Dat woord 'paljas', strozak, ging in Nederland een eigen leven leiden, het ging 'grapjesmaker' betekenen. Clowns, als echte potsenmakers, kregen de naam 'paljas'. Het gedeelte 'jas' of 'jasse' kreeg de betekenis van lang kledingstuk dat als een soort zak om alle andere kleren geknoopt werd om bescherming te bieden tegen weersinvloeden als kou, regen, wind. "Oew mantel is toch gin gewone dichtgeknupte zak?!" De man lacht. Hij vraagt wie ik ben. We stellen ons aan elkaar voor. Hij blijkt hoofd der school te zijn.

Aan deze gebeurtenis van vele jaren geleden moet ik denken, als ik op die avond een paar maand geleden het volgende verhaal moet aanhoren.

"Ik stoa op en ik zegge: "Ik zal mien jasse is antrekken"." De verteller zegt dat zijn vrouw reageert met de opmerking dat 'jasse' haar heel gek in de oren klinkt, en dat hij dat anders ook nooit zegt. "Anders zeg iej altied gewoon 'jas'!" Nu wil hij wel eens van mij weten of 'jas' in het plat 'jas' is of 'jasse'. "Ik zegge 'jasse'", zegt de spreker.

Ik vertel dat ik ook "jasse" zeg, Op Nedersaksische wijze. Maar ik zeg erbij dat 'jas' oorspronkelijk geen Nedersaksisch woord is. Dat iedere dialectspreker het kan uitspreken zoals hij wil. Ik zou er nog veel meer over kunnen zeggen, bijvoorbeeld dat de boer in het kaartspel vaak ook een 'jas' genoemd wordt. 'Jas en Nel' zijn belangrijke troeven in het spel. Maar ik doe dat niet. Ik ga niet zitten lesgeven.

'Paille' is stro. Dat had ik nog kunnen zeggen. Het Italiaanse 'pagliaccio' is 'strozak', 'stropop'. Een potsenmaker, grappenmaker, pias, is ook wel een 'hansworst'. Hans Worst is de vertaling van het Duitse Hans Wurst. Hans Wurst is te vergelijken met Jack Pudding. Dat is zijn Engelse vriend. Zij trekken samen op met Jean Potage, van Franse afkomst.

De man met de 'mantel' wil ik niet op één lijn zetten met deze strozakken, vreemde snuiters, paljassen. Daarvoor heb ik hem te hoog. Ik zie hem nog met zijn grote zwarte hoed op, zijn wapperende mantel aan fietsen op die heel hoge fiets met kruisframe. Dat is al vele jaren geleden. Dat mij dat die avond waarop het woord 'jasse' valt, te binnen moet schieten. Ongelooflijk!

Ik kijk naar buiten. Regenbuien, windvlagen, gerommel in de verte. Ik moet nog een brief posten. Jasse an, hood op, dasse umme, krage op. Dan de deur uit. Als de wind me pakt, trek ik mijn jas om me heen als een mantel.