Hupzelen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

Een echte Groninger vroeg mij eens of ik wist wat een hozevörrel is. "Een korte broek", zei ik, denkend aan een vierel of een vierde deel van een hoze, een broek. "Hoaste goud", zei hij verrast, "Ut binnen körte sokken". Ja, inderdaad, dat moest zo zijn, want hozen kan kousen betekenen en hozen kan lange broek betekenen. In het verleden was het immers zo dat een hozen, Duits 'Hosen', broek en kousen tegelijk was, vergelijkbaar met de huidige panty. In sommige streken is men het onderste deel ervan hozen gaan noemen; dan zijn hozen dus kousen, enkelvoud hoze. In andere gebieden is men het bovenstuk hozen gaan noemen. Dan is hozen broek. Wie het over een hoze, zonder n heeft, praat over een kous. Wie een hozendrager aan heeft, houdt daarmee zijn broekrand boven de heupen. Mijn vader had het altijd over zijn 'bretels', bretel in het meervoud dus. Hij zei niet 'bretel', hoewel een draagband over de schouders voor de broek wel zo heet. Hij koos voor het dialectische meervoud, anders had hij eigenlijk van 'bretellen' moeten spreken volgens mij. Hij had ook 'breidels' kunnen zeggen; in dat geval zou hij een woord van Germaanse afkomst gebruikt hebben, bretel is van Franse oorsprong.

Tegenwoordig dragen de mannen veelal broekriemen. Ze zijn ongebreideld. Dat wil niet zeggen dat ze zich niet in toom weten te houden, ik bedoel het echt letterlijk. Op deze verjaardag van mijn kleindochter loopt mijn kleinzoon ongebreideld rond. Hij heeft een lange broek met een riem, maar ... de jongen heeft heel smalle heupen, de broek wil er niet op blijven hangen. We zien allemaal hoe hij loopt te hijsen aan zijn broek. Iedere keer als zijn broek over de billen omlaag wil, sjort hij die weer op tot boven de heupen, daarbij zijn onderkleren steeds verder van zijn onderlijf trekkend. Af en toe loopt hij daardoor ongebreideld in zijn blootje. Dan vraagt Tante plotseling. "Kanst de die jonge niet een paer hupzelen andoen?" - Tante is een Gronings-Drentse - .Een paar gasten kijken haar niet begrijpend aan. Hupzelen? Ze begrijpen er niets van. "Zelen die de broekrand boven de heupen houden", legt Tante geduldig uit, "Leren banden als van de peerden, die over de scholdertjes lopen". Mijn schoondochter legt uit dat zo'n bretels niet helpt, dat de jongen ronde schouders heeft, waar die draagbanden zo afglijden.

In het gesprek komen allerlei woorden aan de orde die even zovele benamingen zijn voor bretels. Ik denk verder over 'hup' en 'zeel'. In Saksische dialecten zegt men 'hup' en 'huft' en 'heup'. Het woord moet wel komen van een woord dat 'kromming' betekent. Als die kromming nauwelijks aanwezig is, hoe kun je dan iets op je heupen hebben?

Een zeel of zèèl is een touw of ook wel een riem. Zeel komt in het Duits voor als Siele, trekriem, en Seil, touw. In het Gotisch is het sail, dus waarschijnlijk ook in het Oudsaksisch. Hupzelen is dus een echt Nedersaksisch woord. Bretels niet. Hozendrager doet heel sterk aan Duits denken. Al denkend zie ik de kinderen door de kamer huppelen. Ik merk dat ze tegelijkertijd naar de gesprekken luisteren. Mijn schoondochter heeft dat ook door. Ze kijkt me aan met een gezicht van 'Dit keer kan het helemaal geen kwaad'. Ik hoop dat ze indirect van het 'taalkundige praatje' wat oppikken. Ik weet eigenlijk wel zeker dat ze veel opsteken van dergelijke gesprekken. Gelukkig komt het woord 'galgjes' voor kinderbretels niet aan de orde. Dat vind ik een onmogelijk woord. In het leven hangen daar al genoeg wezens aan!

Zo heb ik wel degelijk onaangename gevoelens bij bepaalde woorden, al worden die nog zo neutraal gebruikt. Taal is, denk ik, bij mij meer een zaak van gevoel dan van verstand. Bij het horen van 'bretels' bijvoorbeeld zie ik altijd die foto van mijn vader aan het strand, in hemdsmouwen met over het overhemd zijn 'hupzelen', zijn duimen onder de elastieken banden aan de voorkant. Voldaan kijkt hij rond.