Honderd

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

Soms moet een mens plotseling naar 'nummer honderd'. Hij of zij springt op en rent onder het roepen van "even handen wassen" of zo de kamer uit. Mij overkomt het nu, terwijl ik het 'Voorbericht voor den eersten druk ' zit te lezen van 'Woordenboekje van het Deventersch Dialect' door W.Draaijer, Uitgave van de N.V. Uitgeversmaatschappij AE. Kluwer - Deventer. Voor ik naar het toilet ren, zie ik nog net dat onderaan het voorbericht, links, staat 'Leiden, 31 maart 1896'. Als ik zit, realiseer ik me pas dat ik op 'nummer honderd' met een datum in mijn geheugen zit van bijna honderd jaar, een eeuw geleden. Het woordenboekje is verschenen, toen mijn vader ruim een jaar oud was; hij zou nu honderd en één geweest zijn. Van die generatie zijn er niet veel meer in leven, een enkeling nog. Maar Draaijer leeft nog: de tweede druk van zijn boekje verscheen in 1936 - daar bezit mijn vrouw een exemplaar van, dat ik veel gebruik -; een geheel verbeterde uitgave, onder de naam 'Woordenboek van het Deventer Dialect', onder eindredactie van de welbekende G.J.Mäkel, verscheen in 1986 bij de uitgeverij van 'Boekhandel Praamstra'.

Ik moet die uitgever dadelijk melden dat 31 maart 1996, voor mij althans, voor het Nedersaksisch een feestdag is, want Draaijer's Woordenboekje heeft zeker meegewerkt aan de erkenning van het Nedersaksisch als Europese 'minderheids'-taal.

'Nummer honderd'. Daar zit een luchtje aan. Het is de vertaling van het Franse 'numéro cent (saan)', een woordspeling op 'numéro sent (saan)'; sent komt van sentir: ruiken. 'Nummer honderd' heeft alles met stinken en niets met heerlijk geuren en goed smaken te maken. Draaijer wel! Hij woonde in het enige land, Nederland, waar honderd jaar een eeuw genoemd wordt. Eeuw, hé, straks is Draaijer een 'eeuwig' boek over een taal, die meer dan 'eeuwig' is, al zal die taal niet eeuwig zijn. Eeuw, Oudnoors 'æfi' is leven; Gotisch 'aiws' is eeuwigheid; Latijn 'aevum' is tijdperk of eeuwigheid. In het Nederlands wordt een eeuw van eeuwigheid tot honderd jaar. Honderd. In sommige Nedersaksische dialecten is het verkleinwoord 'hunderdjen', zoals 'hundjen' of 'huntien' bij 'hond'. Aan het loket bij een bank hoorde ik laatst een man vragen: "Ka'k der twee hundeties bie hebb'n?" In het Oudsaksisch is honderd hunderod; het gedeelte -erod betekent oorspronkelijk rekening, wat inhoudt dat betalingen al eeuwen en eeuwen met dit getal worden aangegeven. 'Centum' is het Latijnse woord voor honderd, vergelijk er onze cent mee, die het honderdste gedeelte van een gulden waard is.

Niets van deze aarde is eeuwig. Alles heeft een geboorte en een dood. Toch is er een uitdrukking, die een uitzondering maakt: Wie schrijft, blijft. Feitelijk is deze stelling niet juist. Het zou moeten zijn: Wie schrijft, blijft misschien langer. En dat blijven is dan sterk afhankelijk van wat er geschreven wordt. Na honderd jaar blijft Draaijer nog, om geraadpleegd, gelezen, bestudeerd te worden. Twee maal heeft hij een nieuw jasje gekregen. Aan een nieuw pak is hij weer toe, want Mäkel is allang uitverkocht. Honderd jaar, een eeuw na de eerste druk leeft dit boek meer dan ooit. Dat is een verheugende vaststelling. Een hedendaagse uitgave van Nedersaksische woorden uit Salland zou op zijn plaats zijn. Het Achterhoeks, het Twents, het Drents, het Gronings, het Stellingwerfs, het Liemers kunnen op dezelfde wijze de taal verankeren. En dat gebeurt ook. Je kunt geen opsomming van streektalen geven, waarin niets gebeurt! Eigenlijk zou ik in mijn honderdste column voor mijn streekbladen enige aandacht aan de waarde van honderd moeten besteden. Wat? Dit wordt 'nummer 100'.