Holtsniejer

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

"Hee was tenminsten uut het goeie holt esnejen". Dat dialectdicteezinnetje brengt mij op houtsnijwerk. Er zijn heel wat mensen bij hun zware lichamelijke of geestelijke arbeid overspannen geraakt; die zijn zich bezig gaan houden met scheppende vormen van arbeid. De gedachte aan houtsnijden kwam bij mij op, doordat ik ineens de 'zagemölle' weer zag, waar ikzelf wel graag baas had willen zijn. De baas toen, lang geleden, was een beste kerel, die alle houtsoorten kende, met hun nerven en structuren, en hij wist de verschillen in 'gutsen', zodat hij beginners bij het 'sniejen' helpen kon. Ons, jongetjes, leerde hij harde en zachte houtsoorten kennen, als wij stukken hout moesten aanpunten om kies te kunnen spelen, dat spelleken met een knuppel of een 'kärreketlatte', slagplank, en een dubbelgepunt 'stöksken'. Wij sneden ook wel andere dingen, zoals bootjes en poppetjes, om aan het water mee te spelen, maar aan echt houtsnijwerk kwamen wij later op de Kweekschool bij Handenarbeid nog niet eens toe, alhoewel wij toen zeker vijfentwintig verschillende houtsoorten moesten kennen van acacia tot waaibomen, het hele alfabet door. Wat ertussen lag, weet ik niet meer; o ja, toch: ebbenhout, want ik vond dat zwart zo mooi.

Over een houtsnijwerker dus. Ik kende hem goed, kende, want hij is overleden. Hij dreigde afgekeurd te worden als onderwijzer, omdat hij doof was, maar daar hij tweeënzestig was, mocht hij met de VUT. Dat deed hij, want afgekeurd worden was zoo raar voor de buurt: je zag toch niks aan hem!?

Hij wou beginnen met uit zacht 'holt', kersen geloof ik, een tuinkabouter te snijden. Daar zijn vader ook een 'holtzagerieje' en een timmerfabriek gehad had, die nog steeds in de familie waren, kon hij makkelijk aan houtafval komen, dus hij liet een "halleve kuub deur mekäre" thuis bezorgen. Hij zocht een balkje van honderd bij veertig bij dertig centimeter uit, zette dat bij de werktafel met de bankschroef en het rek met gereedschap erboven, neer, tekende perspectivisch een model, trok de buitenste lijnen dik over, tekende, ook perspectivisch, het blok er doorzichtig omheen, pakte zijn 'holtblok' erbij, zette dat losjes in de bankschroef, en tekende al 'roezend' de snijlijnen op het blok. Toen begon hij aan het 'snit', Oekraïens voor houtblok, te beitelen met de 'holten hamer'. Het lukte na uren transpiratie het grove model eruit te krijgen. Toen besefte hij dat 'sniejen' of 'snieden', met een scherp werktuig het goede van het slechte scheiden, niet enkel scheppend maar ook vermoeiend is.

Toen begon het fijnere werk tenslotte, met de kleine gutsjes en mesjes en steeds fijnere schuurmiddelen tot aan dubbelnul. Ineens was hij klaar. In de tuinen keek hij naar andere tuinkabouters, en hij zag dat dat niks was: kitsch in de derde macht om in de ruimte te blijven. En hij zag dat de zijne goed was. Dat hij een kabouter geschapen had. En hij ging door met een beetje inspiratie en met gutsen zweet. En hij maakte geen gipsgietwerk van zijn ontwerpen, maar wel prachtige sculpturen en de huizen van zijn familieleden stonden en hingen er vol mee en ze konden zijn werk op het laatst niet meer luchten of zien, en ze begonnen smoesjes te verzinnen om het niet meer cadeau te krijgen. En dat kreeg hij eindelijk door. En hij werd zo kwaad, dat hij zijn hele voorraad 'holtsniejwerk' op ene hoop gooide en er de brand in stak, want miskende kunstenaars zijn tot alles in staat. Van de houtresten uit de familiefabriek timmerde hij een paleis van een kippenhok en ging kippen houden. De eieren vonden bij zijn familieleden gretig aftrek. En zelfs de haan gaf hem plezier in zijn doofheid!