Hoes

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

"Woor is hier 't huusken?" Ik schiet in de lach bij deze vraag. "Woorumme lach iej? He'k wat geks ezegd?" Ik schud mijn hoofd: "Nee". Maar der schiet me ineens een verhaal te binnen, dat ik deze Twent toch even vertellen moet. "Eerst noa 't huusken, dan vertel ik 't oe". En even later: "Hier neumt ze het huusken ook wel de deuze. Door kui'j oe immers tevens in opbergen". En ik vertel nog maar eens weer over de oude meester, die doof was. Hij woonde vlak naast de school en in het speelkwartiertje ging hij altijd naar huis om koffie te drinken. Soms moest hij dan ook zijn behoefte doen. Eens zat zijn vrouw in het huusken, dat wat van het huis afstond op de doos. Meester moest heel nodig. Hij drentelde maar heen en weer, op en neer tussen 'huus' en 'huusken'. Tot het hem begon te vervelen. Dove mensen praten vaak heel hard; de meester schreeuwde zelfs. En daar klonk over het dorp plotseling: "Vrouwe!! Zit iej noe nogal op de deuze! Ik mot der ook op !" Deze uitdrukking is blijven bestaan. Hoe het verhaal afloopt, weet niemand meer, vertel ik, maar "Vrouwe, zit iej noe nogal op de deuze!" gebruik ik, als iemand ergens te lang werk mee heeft, naar mijn zin.

Er is mij weleens gevraagd, welke uitspraak van ons woongenot het oudste is, huis, huus of hoes. Ik meende daar altijd direct antwoord op te kunnen geven: "Hoes". Het Oudsaksisch en het Oudnederfrankisch, respectievelijk de oorsprongen van het Nedersaksisch en Brabants / Hollands kenden al 'hus', dat uitgesproken werd als 'hoes'. Dat betekende bedekking, dus ook 'huis'. Hoes is in een aantal Hollandse en Nedersaksische dialecten overgegaan in huus, en in het Nederlands in huis. Dat was dus een stevig antwoord, geleerd uit de studieboeken. Toen kwam ik in de Morvan in Frankrijk. Een prachtig gebied, met heel mooie natuur, en oude huizen. Het viel mij op, dat veel boerderijen met hun opstallen boven de deur van het woongedeelte een naam droegen, die begon met 'Huis' en dan kwam de naam van dat 'huis'. Volgens mij hadden zich daar jaren geleden Nederlanders gevestigd, maar bij nadere informatie bleek dat 'huis' uitgesproken werd als 'wuus' of 'uus'. Volgens ons woordenboekje van de Franse taal betekende 'huis' 'deur'. Hier,in de Morvan, dus zoveel als ons 'Huize'. Ook in die huizen kon je je opbergen, bedekken, beschermen. Eigenlijk had ik dat toen al moeten weten, want een 'huissier' is een 'deurwaarder'. "En noe weet ik neet meer, welke uutspraak het oldste is. En gin taalgeleerden, dee mien tut noe too hef kunnen helpen". Zo besluit ik mijn verhaal.

Mijn Twentse vriend begint nu te lachen. Hij zegt dat het veel aardiger is een woord goed te gebruiken dan al dat 'gezever' of genööl over afkomst. Hij geeft de voorbeelden, ik noteer ze meteen: hoeszittend, wat inwonend betekent; hoeskundig, op de hoogte van de zaken in een bepaald gezin; hoesbroed, een enig kind, dochter, die op de hofstee in trouwen zal. Meer willen er hem zo niet te binnen schieten. Wel heeft hij het nog even over het 'lösse hoes', de oude boerderij waar bedrijfsgedeelte en woonhuis in elkaar over liepen. Het 'Openluchtmuseum' te Arnhem heeft bijvoorbeeld nog zo'n boerderij.

Huis, huus, hoes, huusken, huussien, huussie, hoessie. In deze rij past doos, deuze niet, ook al geeft men daar in het barre jaargetijde de daklozen exemplaren van. Het is toch te gek dat een burger van dit land 'in de deuze' zijn heil moet zoeken, terwijl ik 'in hoes' slechts af en toe, doch wel regelmatig, 'op de deuze' heil vind. "Mien Hoes, ik bin der bliede met! Mien Huus, ik bin der blie mee! Mijn Huis, ik ben er blij mee. Ik kan me er thuis voelen".