Hellig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

Er zijn moeders en vaders die hun jonge kinderen voor het naar bed gaan of als zij in bed liggen, een sprookje of ander verhaaltje vertellen. Ik ken ouders, maar niet veel, die dat tegenwoordig in het dialect van hun streek doen. Dat vind ik niet alleen leuk, maar ook heel nuttig. Zo houd je toch je streektaal in ere en je laat de kinderen horen, dat er meer talen zijn tussen hemel of hel en aarde. Ik hoor zo'n ouder al vertellen: "Der was is een draak, iej weet wel, zon monster van een dier met een slangenstärt, scherpe klauwieren, van dee lange puntige nègels, dee as e hellig wier vuur begon te spieën as een fontein van rooie en gèle en blauwe vlammen en vonken. Het was een leve draak, zoolange tut as iej hem kwoad maakten. En hoeneer wier e kwoad? A'j an zien zönneken of zeuntjen kommen wollen. De leeuw wist dat neet. Hee dacht de draak te grazen te kunnen nemmen, want hee meenden dat malse jonk te können griepen toen as de vader te sloapen lei en het kind oke. Möör de vader had een hoazenslööpken. En toen de leeuw in de sprong was, begon de draak uut neuze, bek en oren zukke vlammen te spreujen, dat de leeuw in de lucht verbrandden en as asse nöör umlege sneeuwden. En de draak en zien zönne lèèfden nog lange en gelukkig. Welterusten!"

De kinderen zullen na zo'n verhaaltje waarschijnlijk lekker gaan slapen, want de ouders zullen hen beschermen, zoals de draak zijn kind beschermde. Bovendien is voor het ingaan van de nacht de inbreker en moordenaar gedood. Wat wil een mens nog meer! Mij doet dit verhaal zo goed, omdat het aangeeft wat helligheid is, namelijk de woede die zo groot is, dat jij zo'n hel wordt voor degene die je kwaadheid aangaat, dat die als het ware door vuur verteerd wordt. Let wel, het gaat hier dan om de christelijke hel, waar wening ofwel gehuil is en knarsing der tanden (van lijden en pijn). Als zodanig is hellig dan ook een modern christelijk woord. We komen het voor het eerst geschreven tegen in het Middelnederlands, of beter het Oostmiddelnederlands, dat is het Nederlands van deze streken, de Nedersaksische dus. De heidense hel was niet zo vurig als de christelijke, je zou het omgekeerd verwachten. Die hel was de onderwereld, het verborgene wat een levende niet kon waarnemen. Hel komt van helen, ik denk dan aan verhelen of verbergen, met het sterke voltooide deelwoord verholen. Als ik helen in mijn dialect van Deventer en omgeving vervoeg: "ik hèle, iej hèèlt, hee of zee 'hel', net als ik mète, iej mèèt, hee met of ik genèze, iej genèèst, zee genes, kump in de derde persoon enkelvold de 'hel' der vanzelf uut. In het Oldsaksisch is het de hellja. In de Saksische talen is 'hell' altied wel in een of andere vorm blieven bestoan". Nu realiseer ik me dat ik me hier in het Nedersaksisch geciteerd heb.

Ik herinner me een lange schaatswedstrijd op natuurijs, waarin een rijder zo hellig werd dat hij kort voor de eindstreep gevloerd werd, dat hij zijn concurrent die hem dat lapte, wel wilde vermoorden. Dat is hellig zijn. Ik zou eigenlijk wel willen dat hellig in de voor-christelijke tijd ontstaan was, want dan zou de gevloerde rijder zich in het verborgene teruggetrokken hebben, in de onderwereld zijn gegaan, niet om zijn tegenstander te doden, maar om zijn eigen fouten schaamtevol te overdenken. Daarna zou hij gelouterd zijn plaats op de hel of hal, dat is de harde bevroren ondergrond, ingenomen hebben, zonder eerst zijn verontschuldigingen te moeten aanbieden. Overigens gebruikt niemand meer hel of hal in de betekenis van 'plek bevroren grond'. Dat woord is ook niet afkomstig van helen. En noe nog ene road: word nooit hellig, heugstens kwoad. Dan spuugt men geen verterend vuur.