Hekse

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

In de jaren dertig van deze eeuw had je ze ook al, die ouwelijke kromgetrokken vrouwtjes, wie de inspanningen van baren, voeden, werken, op het lijf gegrift waren met scherpe venijnige graveerpennen. Bij mijn opoe en mijn tante in de buurt woonde er een. Vrouw Hekkers heette zij. Als ik tegen donker uit school kwam, hoopte ik altijd haar te zien. Tegen het licht van de gaslanteern dee vlak veur haer huus stond, leek zee net een hekse, en döör griezelden iej van. Daar rilde je van. Dat kwam natuurlijk van angst en spanning. Die spanning vond ik schitterend! Ik had die voor het eerst ervaren toen ik 'Toen Dik Trom een jongen was' las. De 'Heks van de Achterweg' speelt daar die griezelige rol in. Daar deed Opoe Hekse mij aan denken. Mijn angst voor haar was natuurlijk niet echt. Dik Trom had mij al geleerd dat slechte heksen enkel leven in de stoffige geesten van vrekken en andere gevaarlijke gekken en dat je die kon verslaan door hun met gelijke gemene munt te betalen, met angst dus, niet met euro's.

Opoe Hekse was een lieve heks. Haar bijnaam ontleenden wij aan haar echte naam. We wisten niet eens dat we dat deden.Het woord 'ontlenen aan' of 'afleiden van' kenden we niet eens. Wij waren nog geen geleerden, we waren meisjes en jongens van vlees en bloed! Achteraf had ik toen echter toch wel wat meer informatie willen hebben.

Een hekse is een hegdese, een wezen dat op een heg, haag, hek, een muur, een steen, een wal, op de steel van een ... bezem zit. Een hegdese is een hagedisse, die plotseling uit de grond kruipt en in de warme zon op de zuidkant van een muur, stenen wal, op een hek, een dak, een plaatsje zoekt. In het Oudduits kennen we 'zunrita', wat vermoedelijk uitgesproken werd als 'tsoenriede'. In het Oudsaksisch zouden de mensen waarschijnlijk 'toenriede' zeggen. Zij kenden als spelling 'tunrida'. Een toen, tuun, tuin, is een hek of een gevlochten omheining. En zo'n 'tuinrijder' was .... een boze geest. In het Nederduits, de taal van onze oosterburen, is een boze geest nog altijd een ... 'walriderske', een muurrijdertje. Een geest die op een muur, een hek, een tuin rijdt. Waar zou dat beeld van die bisschop die over de daken rijdt toch vandaan komen? Als we de wind door de bomen horen en zien waaien, komt dan niet dezelfde angst en spanning in ons naar boven, als toen we een 'hekse' in het licht van een 'gaslanteern' in haar donkere kleren, warrelend in de wind, naar haar huisje zagen worstelen?

Gevoel en verbeelding is het alles wat ons drijft. Wie dat verschijnsel niet kent, is zonder ziel. "Eén lood geveul is meer weerd as een pond härsens, möör een lood härsens mo'j natuurlijk wel hebben um oe met geveul te redden", zei een oude collega eens tegen mij, toen ik, achteraf als een kip zonder kop, stond te redeneren. Helaas weet ik niet meer waar het over ging.

Geveul en verstand. Mien verstand zeg dat der gin heksen bint, gin bessemvlegers, edreven deur de wind. Mijn gevoel zegt me het tegendeel. Ik ontmoet ze immers, goede en kwade heksen. Dat we die wezens zien, is verbeelding van de realiteit om ons heen. De schrijver C. Joh. Kieviet is de eerste die ze mij getoond heeft. Hij bedreef zo nu en dan literatuur van grote klasse! Hij trad met zijn jeugdverhalen in de beste tradities van de 'spreukskes', die niet anders dan realiteit verbeelden.

Mijn Opoe, mijn tante, Opoe Hekse, Kieviet, Andersen, Broos Seemann, Johan Veenstra, Riek van der Wulp, laat ik het bij deze acht houden, omdat acht meer dan duizend is, laten mij hun heksen om de oren vliegen als bijen die op de honing afkomen. Ze 'proeven' mij dagelijks, en ik smaak bitter en zoet.