Hekkensgat

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

Het iedereen naar de zin maken, dat doen veel mensen graag, ik ook. Maar dat gaat lang niet altijd. Soms word je geroepen om dingen te doen waar je niet aan wilt. Vaak gaat het om gewetenszaken. Voorbeelden zal ik er niet van noemen. Ieder van ons kent ze heel individueel. Wat ik dus echt niet wil doen, doet een ander graag. Onze gewetens zijn verschillend, onze ervaringen zijn anders, er zijn mensen die gewetenloos zijn. Dat laatste zeggen mensen dan weer, die dat weten kunnen! Dat zeggen zij tenminste. Ze hebben ervoor gestudeerd, heet dat dan. Zij hebben 'uitgevonden' dat er mensen zijn bijvoorbeeld, bij wie geweten 'geld' heet. "Die vent hangt altijd de huik naar de wind", zei een kletsoloog eens tegen mij. "Hij verandert van mening en standpunt, zo gauw hij daarmee maar wat verdienen kan". Nu weet ik toevallig wat een huik is. Dat wist ik ook, toen ik dat gezegde hoorde gebruiken. Een huik is een lange jas, mantel genoemd, die van over het hoofd tot over de voeten reikt. Men wil zodanig kunnen gaan, lopen, dat men altijd tegen de wind beschermd is. Figuurlijk, men wil altijd gedekt zijn; met iedereen wil men op goede voet blijven. Ik vond de uitdrukking van mijn geleerde kennis dus volkomen misplaatst.

Waardoor schoot deze gebeurtenis me te binnen? Ik stond in een winkel. Naast me stond een dorpsgenote. Vriendelijk lachende ogen achter schitterende brillenglaasjes. Dat gezicht zegt recht in het mijne: "Ik lèze vake oew stukskes, neet altied mar vake!"

"Dank oe", antwoord ik. Einde gesprek. Bijna tegelijk gaan wij de winkel uit. Zij is op haar fiets sneller weg dan ik op de mijne. Ongeveer vijftig meter voor mij uit rijdt ze. Ze kijkt even om. Dan stapt ze af. Ze houdt mij aan. "Weet iej welk woord ik ook nog gebruke? Hekkenschat!" Ik begrijp haar even niet. "Weet iej neet wat een hekkenschat is? Hoe is 't meugelijk!"

"Het zal wel een schat op een hekken wèèn", zeg ik. En dan schiet me te binnen hoe ik 'luister-blunder'. Natuurlijk moet ik hekkens-gat verstaan, het gat dat ontstaat als je een hekken, Nederlands hek, van een weiland bijvoorbeeld opent of losdoet. Dat woord ken ik natuurlijk. En dan schiet me een uitdrukking te binnen; die spreek ik niet tegen haar uit. 'Het hekken noa de wind hangen', is een gezegde dat men niet veel meer hoort. Als men het hek of de garagedeur niet naar de wind hangen kan, komt men met paard en wagen of de trekker of met de auto het weiland of de stalling niet in! Men moet dus dingen kunnen plooien om iets voor elkaar te krijgen. En dat is lang niet altijd verkeerd, integendeel. Wie zou beweren dat 'Het hekken noa de wind hangen 'synoniem is met 'De huik naar de wind hangen', krijgt van mij maar gedeeltelijk gelijk. Het 'bedekkende'is namelijk bij hekken niet aanwezig.

En zo kwam ik op 'huik'. Het is familie van 'huig', wat weer verwant is aan 'hoog'. Een huik gaat immers door de kap over het hoofd en bedekt de mens zo als een hoog dekzeil. 'Hek' of 'heck', 'hekken' komt waarschijnlijk van 'heg' of 'haag'. In het Oudhoogduits is het 'hegga'. In het Nedersaksisch kennen we 'hegge'.

'Hekkensgat'is misschien een oude tweede naamval: hekken - des hekkens. Het kan ook zijn dat het gewoon de meervoudsvorm is: één hekken - twee hekkens. Wat onze voorouders zich taalkundig gedacht hebben bij 'hekkensgat', laat zich enkel maar raden. Niet omdat zij geen taalkundige belangstelling hadden! Zij konden hun taalkundige gedachten niet op schrift stellen. Slechts enkelingen konden dat in de Vroege Middeleeuwen. Dat waren de monniken. En die schreven in het Latijn en vast niet over 'hekkensgat'!

"Oaver de zandweggetjes hoap ik nog vake de beesten deur het hekkensgat de wei in te zeen goan", denk ik hardop. En ik zie een lachend gezicht met een vriendelijk brilletje voor me; het kijkt me nog steeds verbaasd aan.