Heide

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

"Wat baat oetkieken as der niks te zeen is?"

Dat spreekwoord schiet me te binnen, als ik bij de oriënteringstafel op het Noetselerveld sta. Het gezegde geldt namelijk op de Holterberg helemaal niet, want er is op deze zonnige dag heel veel te zien tot in de verste verten. "En uutzeen oaver de heide noa alle kanten verriekt de mense tut dieep in zien härte en zien ziel", denk ik bewogen. Ik weet trouwens niet meer, wie ik nu feitelijk citeer. Maar dat is niet van belang. Ik zie in gedachten een oude schaapherder, een scheper, een scheffer, een schèper zwerven met zijn schapen, zien skööpkes, met hun lammetjes, hun lemmekes of lemmechies of lammechies. De hond houdt de kudde, de heerde voortdurend 'in de gaten'. En ik zie de heide weer, zoals zij vroeger was: "een aait meer opbleujend wief bie het netuurlijke voeren van heur kinder tut eer van de grote Schepper".

Die woordspeling vind ik zo mooi: Schepper, Scheffer, Schèper. Ja, dat is ook Holten, Nijverdal, Hellendoorn, Haarle, de Heetens - Heeten - Nieuw-Heeten - Schoonheten. Heeten . . . De Heetenaren spreken het ongeveer uit als Hee(r)ten, waarbij zij op het laatste moment de -r- uitstoten. Vaak verbeeld ik me, dat ze een -t- uitspreken, die wat naar de -d- lijkt te gaan. Dat geef dan ook weer, waar Heeten vandaan komt: Heeten kan ontstaan zijn uit Heeden; dat betekent dan Heidevelden. Deze afkomst lijkt erg logisch. In die heidevelden lagen de verschillende bergen en belten. Dat laatste woord vinden we bijvoorbeeld nog in Koningsbelten en Poggenbelt. Een belt is niets anders dan een bult in het landschap en zo'n bult is wat lager dan een berg. Een pogge is een big, ik denk daarbij aan het Engelse pig. De poggenbelt moet dus zoveel geweest zijn als een varkensbult. Dat brengt mijn gedachten dan weer op wilde varkens, wilde zwienen, die in het boslandschap, afgewisseld met heide, thuis horen.

Ik kijk of ik korhoenders vliegen zie, maar ik neem ze niet waar. Ooit heb ik bij de lessen plant- en dierkunde nog geleerd, dat de naam korhoender het feitelijke meervoud is van korhoen; dat korhoenders een dubbel meervoud of stapelvorm is. Jawel, dat leerde ik toen bij de dierkundelessen. Kor- is een klanknabootsing; het geeft het koerende of kirrende geluid weer van deze hoendersoort. "Hoon", wordt er in deze buurt gezegd. En het 'menneken' is de hane.

"Kom, ik mot is nöör Haerle opan", zeg ik, "nöör het bos op de heugte". Zo ken ik er nog een paar: Lettele, waar ik al geweest ben, wat het luttele of kleine bos is; Loo bij Bathmen, wat gewoon bos betekent; Holten is feitelijk ook bos. Het was het gemeenschappelijke hout- en bosbezit; Hellendoorn of Helderen is waarschijnlijk een streek geweest waar veel hol-enderen of vlierstruiken en -bomen groeiden.

Door de paadjes, pèkes, paechies laat ik me naar Haarle afglijden. Soms moet ik een eindje klimmen. Dan stap ik af. "A'k het neet veur mien härte doo, doo ik het möör veur mien ketting". Als ik dat zeg, denk ik aan dokter H. Voss, die in de jaren veertig-vijftig geneesheer-directeur van het Volkssanatorium Hellendoorn was. Dat heet nu Krönnensommer ofwel Herfsttijd. Daar heb ik in achtenveertig en negenenveertig weer gezond mogen worden door een lig- en natuurkuur. Daarom kom ik nog steeds graag in deze streken. Daarom zie ik meer dan voor die tijd. Voortdurend "kiek ik uut, want der is altied wat te zeen". Er is één voorwaarde: De ruimte waarin ik waarneem, moet weids zijn, want ik moet uitzicht hebben. Die ruimte biedt de heide, vooral de grote, stille heide, waar ik het Wonder beleven kan.