Hapschere

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 december 2008

Ieder leven heeft zijn eigen verhaal. Ook mijn leven. Het is opgetekend, ingekrast in het binnenste, de plaats die we niet kennen. Het wordt daar bewaard, dat leven, gevormd en vervormd en het wordt er ontdaan van alle mogelijke en onmogelijke dingen. Ik heb het gevoel dat ik voortdurend bezig ben een film van mezelf op te nemen. De plaats die ik met mijn camera inneem, wisselt steeds. Zo sta ik nu bij een stuk bouwland, afgebeeld op een plaat, die in de vierde klas van de lagere school, ik ben tien jaar, aan de muur hangt. De juffrouw zit op een hoge kruk voor de klas. Ze vertelt. Wij kijken allemaal naar de plaat waarop geploegd, 'gebouwd' wordt. Twee Zeeuwen of Belgen, herkenbaar aan de blonde manen aan de hals, de smoezelig-witte scheerkwasten om de hoeven en de gewassen blanke staart, ploegen door de zware zeeklei. Het 'kouter' of de ploegschaar 'hapt' of snijdt door de bodem en legt de 'voren', rij na rij. Wat een prachtige plaat. De vogels zetten zich achter de boer op de golven van de akker. Kieviten, bouwmeestertjes, meeuwen, 'kreien', ze komen in vlagen naar beneden om al het blootgelegde eetbare dadelijk op te pikken. In de klas is het muisstil. We luisteren aandachtig naar de juffrouw. Wat vertelt zij mooi! Mooi is zijzelf niet, vind ik. Een neus als een roofvogel heeft ze. Verder is ze lang en mager. Toch heeft ze twee onderkinnen. Ze mag mij wel. Ik mag bijna altijd het bord schoonvegen met de wisser en de doek, en aan het eind van de dag met water. Als ik zo voor het bord bezig ben, kan ik duidelijk zien dat ze wat stoppeltjes op de kin heeft. Ze scheert zich vast met een scheermes, zoals de kapper dat 's zaterdags bij mijn vader doet. Of zou zij dat doen met een gewone schaar, ik zie die twee messen al op en neer gaan en ik hoor ze "hap, hap, hap" zeggen.

"Gerrit, Wat heb ik net gezegd?" Ik weet het niet, ik heb over haar zitten dromen. Half in trance antwoord ik: "Hap, hap, hap, zei de schaar ... ". Ik denk daarbij aan een grapje van mijn vader: "Mozes zei tot de schaar' "Knip" en de schaar knipte". De hele klas lacht schaterend. De meisjes en jongens vinden het een goede bak. "De ploegschaar hapt wel zoals de 'hap' van een sikkel, maar dat zei ik niet!" roept Juffrouw. "Je zit te dromen, ga in de hoek staan!".

Daar sta ik, vernederd door die heks, die feeks, die hapschere, die met haar felle woorden mij in stukken gehapt heeft. Mooie praatjes heeft ze altijd. Ik zal nog eens wat voor haar doen! Eeuwen sta ik in de hoek. "Gerrit, ga maar weer zitten hoor", klinkt het vriendelijk uit de mond van Juffrouw. Dan gaat de bel van vier uur. Mijn woede is natuurlijk nog niet over. "Gerrit, wil jij het bord nog even goed reinigen?" klinkt het honingzoet, voor mij dan. Drift laait in mij op. "Doot dat zelluf möör!" schreeuw ik. Daarna ren ik de klas uit en ik hol naar huis, en ik smijt de voordeur open en ik vertel in één adem alles aan Moeder. Ik besluit met: "Wat een hapschere!" Moeder legt me uit dat een hapschere altijd een hapschere is. "Je vindt Juffrouw toch anders nogal aardig?" Ik knik "Ja".

Is dit allemaal zo gebeurd? Wist ik toen echt al wat een hapschere was? En kenden wij in die klas het woord 'kouter' al? Ik denk dat ik 'kouter' uit "Karel ende Elegast" gegapt heb, wat ik pas op de H.B.S. gelezen heb. "Kijk, dat bedoel ik nou Kuijk", zeg ik, "jij hapt en snapt met je selectie-schaar maar in je binnenste wat rond; jij bent een hap-snap-schere. Zo kun je wel een levensfilm bij elkaar 'snijden'. In ieder geval was die juffrouw uit de vierde geen echte hapschere".