Gres

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

Tante Dien reikt mij het prachtige boek, uitgegeven door de oudheidkundige vereniging van Gorssel, aan. In die uitgave staat het wel en wee van die mooie plaats, en gemeente, gedurende eeuwen. Mijn oog valt onmiddellijk op een jaartal: 1223. In dat jaar duikt op perkament de naam Gerstlo op. Die naam roept meteen een aantal groene zaken in mij wakker. In talrijke Germaanse talen luidt gras al eeuwen 'gras'; in het Oudsaksisch is er al gras. In het Oudfries is het gers of gres. En juist dat Friese 'gers' tref ik in Gerstlo. Gerstlo of Gorstlo, zo komen we dat in volgende eeuwen tegen, is een voorloper van Gorssel, zoals we dat nu aantreffen. Als jongetje van tien heb ik die plaats altijd "G(r)ossel" genoemd. Omdat gros dicht bij 'grös' lag, dacht ik dat Gorssel 'grasland' betekende. Later leerde ik pas dat een 'lo' een beboste plaats is; toen leerde ik dat Gorssel uit bos- en weidegronden bestaat, en dat past nog steeds bij mijn ruimtelijke ervaringen van die prachtige afwisselende weerden- en bosstreek langs de IJssel.

Terwijl ik rustig met tante Dien verder praat over gerst, gers, gors, gros, grös, gres, zie ik ineens de Twellose dichter Tinus van het Slyck, dat is zijn dichtersnaam, weer op dat podiumpje staan, al weer een groot aantal maanden geleden. Hij presenteerde zijn bundel "Zo greun als Grös", en las er riempjes uit voor over, meest verdwenen, dierbare plekjes van Twello en omgeving. Hij verdedigde als Twelsman de titel met het woord 'grös'. Een van de vorige sprekers op die avond van de 'Oudheidkundige Kring Voorst' sprak namelijk als titel uit "Zo greun als gres". Ik heb die avond een boek gekocht, Tinus Ooms er zijn handtekening in laten zetten met de datum 14-11-'96, en ik heb hem toegevoegd: "Iej hebt geliek. Dit 'grös' is veur oe het oldste". Ik ben blij dat mij dat alles nu te binnen schiet, want tante Dien, die jaren in Epse gewoond heeft, 'löt der gin grös oaver greujen', want zij zegt: "Ik wete wel dat ze in Brummen en Steenderen "gres" zegt, mar ik zeie altied "grös". "

Het valt me op hoe gemakkelijk Tante de verschillende taalweiden 'afgraast'. Afwisselend praat ze Plat, tegen mij, en Nederlands, tegen Ali, en hebben we het over administratieve zaken aangaande verenigingen in haar oude woonplaats of in bedrijven, dan blijkt dat ze haar vreemde talen, geleerd op de handelsschool in de midden-twintiger jaren, nog lang niet verleerd is. Ik denk haast dat zij er nog geen 'greintje' of 'graantje' van kwijt is. Dan denk ik aan het Latijn, waarin gras 'gramen' is; en het Griekse 'gran' schiet me te binnen. Dat laatste moet ontstaan zijn uit 'grasein', het Nederlandse 'grazen', dat 'afknabbelen' betekent.

Een mooie morgen hebben we bij tante Dien. Tevreden rijden we verder naar Zutphen en Doetinchem. We moeten nog meer bezoeken plegen. Ik zeg onder het rijden één coupletje in mijn hart op, uit de bundel van Tinus van het Slyck, waaruit blijkt dat 'gres' een heel gangbare vorm is: 'Greun is: 't behold van onze bossen, de boom', hegg'n, bleuiend gres, een plek veur harten en veur vossen: in stilte leert natuur heur les.' En ik denk op dat moment ook, dat Tinus uit rijmdwang voor 'gres' gekozen heeft. Gres rijmt immers op les. Ja, hij moest wel. Hij noemt zijn gedichten immers "rijmpjes"; het kenmerk van rijmpjes is toch dat ze rijmen.

Langs groene bossen en grazige weiden bereiken we Doetinchem. Daar wil ik naar de Grutstraat, naar het Staring-Instituut. In de buurt ervan kan men gratis parkeren. Dat doen we; hier geen gres, grös, of gras, maar grauw asfalt. We lopen naar de Grutstraat. Een minuut of vijf doen we erover. In het instituut is het rustig. We kunnen in de bibliotheek terecht. Gin mense dee ons het gres veur de voten vortmeit.