Glieren

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

"Van 't zomer was ik met mien kleinkinder in een tropisch zwembad. Döör was een gliejbane wöör mien kleinzönne de hele tied vanof glie ...rden", zei de opa tegen mij. "En een lol dat hee had!" En dan zonder enige overgang: "Hoe kump dee -r- feitelijk in glierden?" Ik vertel hem dat ik dat ook niet weet en dat geen mens hem dat vertellen kan, dat hij net zo goed had kunnen vragen hoe de -r- uit glieren gekomen is, hoe glieren gliejen geworden is.

De vraag laat me echter niet los. Ik ga dus maar even aan het 'knutselen' met klanken. Op papier schrijf ik: glieren, glier, gle(e)r, gla(a)r, gla(a)s, glazen, glo(o)r(s), glijs, glij(e)r, glijm, glijn. Het zijn woorden, die alle een stam bevatten met verschillend klinkers, want die verschuiven het gemakkelijkst, en medeklinkers die min of meer de -r- zouden kunnen verdringen. Nu ga ik me 'glieren' voorstellen. Voor me zie ik de herfst uit bomen en struiken regenen. De grond is vettig en glad van de gevallen bladeren van mijn notenboom. Ze glinsteren in het herfstzonnetje. Ik moet oppassen dat ik er niet "oaver uutgliere", met een heel lange -ie-. Dan zie ik me als jongetje weer "baantjen glieren", zoals veel Nedersaksen zeggen. Ik zie de gletsjer-achtige gliejbane weer, die we van de heuvel af omlaag polijstten op onze klompen, en ik hoor opnieuw het gemopper van de volwassenen, die over onze gladde baan in de sneeuw dreigden te glijden. Woorden komen in me op: gletsjer, glerig (Gronings-Drents voor vettig, glibberig), het Groningse gleersk (glad), het Deventerse gleier (step), het Middelnederlandse glariën (glinsteren).

Als ik zover ben, besluit ik de geleerden een woordje mee te laten spreken. Ik wil op dit gladde ijs niet uutglieren. Professor doctor A.A.Weijnen in 'Etymologisch Dialectwoordenboek': gland - gloeiend (Noordhollands), glandich - glans (Fries), glei of glaai - glimmend en glad (Veluws, Gronings, Zaans), gler - glas (Oudijslands). Gler komt van een basis die ook in glijden en gleien voorkomt. "En daar, opa van die glierende kleinzoon, ligt het antwoord op Uw vraag", zeg ik plotseling hardop. Want ik weet nu, dat de basis van dit woord in den beginne van onze talen ligt, toen de gletsjers al bestonden, ook al gaven ze die pas in de negentiende eeuw de naam 'gletsjer', als ik de geleerden op dit punt geloven kan. En ik heb enig geloof.

'Etymologisch Woordenboek' - Van Dale: Gler - glad oppervlak (Oudnoors), glaren - schitteren (Middelnederlands).

Professor doctor J. Verdam - 'Middelnederlandsch Handwoordenboek': glijssen - polijsten, glad maken, glijsser - polijster, glijssenaer - huichelaar.

'Woordenboek van het Deventer Dialect' - eindredactie G.J.Mäkel: gleier, gliejbane, glieren. De laatste woorden tonen dat gliejen en glieren naast elkaar nog steeds bestaan, vanuit de gemeenschappelijke Indogermaanse basis.

Meester K.D.Schönfeld Wichers - 'Woordenboek Nederlands Twents': glijbaan - glierbane, glijden - gliern, baentjen gliern.

H.J.A.Hulshof, m.m.v. A.H.G.Schaars - ''n Kleddeken Achterhooks': zich op den gladden begeven - zich op glad ijs begeven, gleisterig - glanzend door gezwollenheid, "Wat heb iej de benen gleisterig".

Het is mij nu volstrekt duidelijk dat al eeuwen vormen van glieren met en zonder -r- naast elkaar bestaan hebben. Toch wist ik niet dat de gladheid van dat woord zo gering was. Builen en kuilen hoogten en diepten komt men tegen op de wegen die de stam 'glrs' gegaan heeft. Het aardige vind ik dat ik feitelijk die wegen niet ken, zodat ze mij leiden door een doolhof waar ik nooit uitkom, maar wat kan ik er heerlijk door glieren!