Geure

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

Als ik op de buis de bom in de kuil liggen zie, krijg ik snel achter elkaar een aantal beelden voor ogen. Ik zie een mol kringetjes kruipen op een zandweg; zijn ene zandwiekje is beschadigd door een langs razende auto of zo. Die bom daar met zijn vleugeltjes lijkt op die mol op de weg. Beide waren het blindgangers. We zeggen niet voor niets 'zo blind als een mol'.

Er zijn meer overeenkomsten tussen beide blindgangers. Zij geren, dat wil zeggen dat hun kop spits toeloopt. In het dialect zeg ik weleens: "De kop van de molle geert".

Ineens zit ik weer op die dialectdag onder het gehoor van Henk Krosenbrink. Hij gebruikt het woord geureheupe en hij bedoelt daar molshopen mee. Dat betekent dat aan onze oostgrens de mol 'Geur' of 'Geure' genoemd wordt. Waar heb ik dat woord eerder gehoord? In de lessen Duits van mejuffrouw Van Gulpen, een door ons zeer gewaardeerde lerares, die mij eens een 'Gör' noemde en een van de meisjes uit onze HBS-klas een 'Göre'? Een 'geur' is een blaag van een jongen, een rakker. Een 'geure' is een meisjesrakker. Zouden ze in de grensstreek in de Achterhoek en een klein gedeelte van Twente daarom een mol geure noemen? Ik weet het niet. Ik zie een gang voor me waar de mol als een speer door wroet en woelt en ik zou een mol die als een molen het zand vermaalt en verwoelt, een 'molle', mölle', 'weule' noemen.

Ik zie hoe de blindganger de lucht ingaat en ik hoor een enorme knal daarna. Op het scherm verschijnt nu een boorplatform. Het gaat over een proefboring naar gas op zee. En ineens zie ik die boor. En ik denk aan 'avegoor', een groot soort boor. Deze zal straks de zeebodem doorboren, loodrecht omlaag, zoals de mol de grond doorboort in de richting van de einder. De ene boort of 'geurt' naar het middelpunt van de aarde, de andere 'geert' naar de horizon. En in gedachten zie ik weer die woelende mol met zijn spits toelopende, gerende, geurende snuitje. Daar doorheen loopt plotseling het beeld van dansende naakte mensen, gewapend met hun speren of geren, die in hun verleden gebruikt werden om dieren en mensen te doorboren. Ik zie de spits toelopende verdikking aan de kop van de speer. Met een beetje fantasie kan ik daar een mol in zien. Geer komt van het Oudsaksische 'ger', wat toen ook al speer betekende. Ik weet dat, omdat mijn naam Gerrit is. Gerrit is de samengeklonterde vorm van Ger-hardus. Speerhard of Speersterk heet ik dus. En als ik er goed over nadenk, en dat doe ik nu, al televisie kijkend, moet ik tot de conclusie komen dat de geure in de eerste plaats een doorborend diertje is, zoals de kop van een geer. Pas in de tweede plaats is het een rakker, een blaag, een woelwater. Ik denk dat Gör en Göre weinig met de naamgeving 'geure' te maken hebben. Laat ik mijn Engelse woordenboek eens grijpen. Het is al een oud 'Kramer's Engels'. Op bladzij 199 vind ik bij 'gore': 1 gore ... II vt doorboren ... . To gore is dus een vt, een overgankelijk werkwoord, dat doorboren betekent. 'Ziedaar', denk ik, 'geure is een oer-Saksische naam voor de mol, die zich een gang door de grond boort'. Ik bedenk meteen maar een paar zinnen waaruit de overgankelijkheid van 'geuren' blijkt: De geure geurt de grond; de grond wördt deur de geure egeurd. Dan ben ik me er plotseling van bewust dat ik een woord aan het Nedersaksisch toegevoegd heb, dat of verdwenen was of totaal nieuw is: het overgankelijke werkwoord geuren. Waar televisie, blindgangers, mollen, boortorens al niet goed voor zijn. En de geure heeft me iets geleerd, wat ik overigens al wist: boren in het heden en naar het verleden kunnen samengaan, ook bij de geure, want 's winters boort hij zich de diepte in. Hij boort diep!