Gesluns

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

Van mijn dialectplank pak ik het boek 'De vliegende slonde'. Het is een uitgave van de IJsselakademie te Kampen uit 1991. Deze verzameling dialectliteratuur is genoemd naar het verhaal van Dicky Kersing-Heldoorn, waarin een halfschort of zo men wil een buiklap een voorname rol vervult, namelijk om bij storm en tegenwind als zeil te dienen om de hoofdpersoon uit haar benauwenis te bevrijden en door het zwerk te laten zweven over de akkers en polders van Overijssel. Maar daar gaat het me nu niet om. In dit boek staan bij de verhalen mooie tekeningen van Gert Lok en Gert Jan Prins. De illustratie bij 'De vliegende slonde' stelt een balkon voor, waar vandaan een stoel met een boerenbont geblokte lap, die met 'schöttebanden' (schootbanden) aan die stoel gebonden is, het luchtruim invliegt. De slonde is hier dus een lap katoen. En slonde is een dankbaar lapje taal.

Hoe ben ik erop gekomen dit boek te pakken? Mijnheer Landman. Hij is een dialectvriend, die diep spit. Hij houdt van zijn moedertaal. Hij heeft mij opgebeld naar aanleiding van vleesproducten als zwil en zwoerd, respectievelijk gezwollen vel en heel dik vel. "Weet iej wat gèle oor is?" heeft hij me gevraagd. Ik heb gezegd dat ik het weet. Hij heeft mij verteld dat zijn moeder het vroeger klaar maakte om het gezin dat te laten eten, want goede kwaliteit vlees of vleis was duur. In vlees van slechte kwaliteit zaten gele aders, aderen, aren, oren. Die gèle oren werden gèle oor genoemd. Het waren draderige pezen, die als gele stroompjes door het marmerrode vlees liepen. Volgens een andere dialectvriend was gèle oor neet te vrèten. Maar mijnheer Landmans moeder wist het zo klaar te maken dat het lekker smaakte.

Onder dit gesprek denk ik ineens aan 'gesluns'. Ik houd van gesluns in de 'erftensoep' of snert. Als je gesluns uit de pan schepte, rauw, dan was het net of je wat vieze vodden optilde met schootbandjes eraan, het flodderde aan alle kanten over de schuimspaan heen. In de snert verwerkt, smaakte het heerlijk. Ik zie het gesluns nog aan mijn lepel hangen, het slingerde wat heen en weer. Gesluns zou ook geslinger betekend hebben. Sluns, slons, slens, slenteren, slenderen, slonde zouden weleens familie van elkaar kunnen zijn. Zo willen dat de kenners van de woordgeschiedenis tenminste. Als het waar is, veranderen de dingen hier ook weer in hun tegengestelde. Wie slendert en zijn lichaam heen en weer laat slingeren, doet dat mede om zijn overtollige vette gesluns kwijt te raken. Ik hoor het woord gesluns nog regelmatig gebruiken. Op feestjes. "As der taertjes bint, zeuke ik altied de grootsten, romigsten en vetsten uut. Oh, ik holle zo van dat gesluns!" En ik zie de persoon voor me, die dat steevast zegt. En ik zie hem in de keuken staan, met de slonde voor, een blauwwit geblokte keukendoek met bandjes gebonden op zijn heupen, want zonder dat hulpmiddel zouden zijn kleren binnen de kortste tijd verslonzen. En een slons, een vette vuile afgedankte afvallap mag hij van zijn vrouw niet worden.

Mijn vrouw belt. Er is koffie. Zou ze er nog wat lekker gesluns bij hebben? Maar ik ga niet meteen naar beneden. Nog even het verhaal lezen. Het is heel kort. '... Nao een opwindende en bevrijdende tocht landt ze weer op 't balkon. De slonde giet in de wasmande, nat en verkneuted van de tocht. Met liefde wodt e ewassen en estreken en op-ebörgen onder in de linnenkaste veur een volgende, onverwachte, welkome störmdag.' Zo eindigt het. In gedachten zie ik onze moeders zweven in het zwerk. Vrij, zonder slonde, die hen aan het gesluns in de keuken bond.