Geiselen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

De helse slag bij het verdrijven van de demonen is voorbij. Donderslagen, kanonsschoten, knallende vuurpijlen, sterrenregens, duizendklappers, alles begeleid door huilende, jankende, mauwende, gillende, loeiende beesten, geselden de aarde en haar bewoners in plaats van de duivels die verdreven hadden moeten worden. De demonen hebben de strijd weer eens gewonnen, want welke weg is geplaveid met goede voornemens? Die naar de hel. De duivels op de wereld, en wie is dat niet, blijven lopen met hun gesels, wat volgens het Oudnoorse 'geisl' stokken zijn, stokken om mee te geiselen of te geselen. De hellebewoners kunnen die stokken op twee manieren gebruiken, begrijp ik wel, ze kunnen ermee slaan op de ruggen van hun slachtoffers en ze kunnen ze gebruiken als steun wanneer ze om hun slachtoffers rennen, om hun evenwicht te bewaren en dan ineens 'Whamm'! Daar heeft weer een onschuldige een klap te pakken. En zo, geloof ik, heeft geiselen zich ontwikkeld in twee richtingen: rennen of snel lopen, al of niet met een stok, en straffen door middel van ranselen met de geisel of gesel. Geselen met een stok met een zweepachtig leren vetertje eraan met knopen erin was in de Middeleeuwen hier nog heel gewoon. Ik zie weleens honden, die echt geiselen in twee betekenissen. Ze lopen snel en slaan met hun lange staart zich daarbij voortdurend in de flanken. Zo'n geiselende hond komt nog voor in een "Dèventer uutdrukking", die ik niet kende. Totdat ik op bezoek ging bij een oude collega, die in Olst woonde, maar in Deventer geboren was. Ik was in wel geen twintig jaar bij hem geweest, maar nu, in het begin van het nieuwe jaar moest het gebeuren. En ik ging graag, want iej konden zoo lekker met hem nölen. Zijn aanleunwoning had ik snel gevonden en ik drukte op de bel. De deur ging vrijwel dadelijk open. Stom verwonderd keek mijn oud-collega me aan: "Wat doo iej hier, hei hier een hond zeen geiselen?"- "Wat zeg iej?"- "Komt der eerst möör in, dan leg ik het oe wel uut". We gingen naar binnen. "Goat zitten, fijn da'j der bint. Ik hadde oe neet verwacht. En dee uutdrukking van döörnet wil enkeld möör heel verzachtend zeggen, dat iej völs te weinig komt!" Ik zei dat dat waar was, maar dat ik even goed het gezegde niet helemaal begreep. Goed, een hond die maar wat loopt te geiselen, is inderdaad vaak verdwaald. "En döör zit hem de kneep; ik hadde ook vroagen kunnen o'j soms verdwaald wazzen, möör döörveur wa'k te bliej da'k oe zagge".

Dan legt de oude meester mij uit dat er verwantschap bestaan moet tussen geiselen en giespelen. Alleen is giespelen nog veel harder lopen. Hij gaat naar zijn boekenkast, neemt het heel oude "Woordenboekje van het Deventersch Dialect" door W. Draaijer van de plank met dialectboeken, bladert er even in en leest voor: "Giespelen (gespeld g-î-s-p-e-l-e-n). Hard lopen, benen maken. Of de jonges gîspelen konnen, tu (toen) ze den grönen (buitendiender) zaggen ankommen. Vergelijk bòsselen". De oude heer bladert naar bòsselen: "Borselen, lopen, benen maken. Iej mossen de jonges zeen bosselen, toen de deender ze achternoa zat. Vergelijk giespelen en geiselen". We praten nog wat over onze Nedersaksische streektaal en dan breek ik weer op.

Mijn oude collega leeft allang niet meer. De uitgave van "Olster Woorden" heeft hij niet meer meegemaakt, maar ik weet zeker dat hij het Olster geiselen voor 'rennen' gekend heeft. De taalkundige opleiding ging in zijn dagen nog gedegen geschiedkundig. Nu geiselen we voortdurend nieuwe tijden in, geselen daarna de goede oude tijd. En wie niet meegeiselt, telt niet mee. Niet zo somber zijn; ik geisel het nieuwe jaar in, in mijn eigen tempo.