Gatvlege

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

"Het geet aerdig op de lente an", zegt de man die mij inhaalt en naast mij komt fietsen. Een hele tijd heeft hij als een plakker achter me gehangen tegen de straffe wind in. Dat is beroerd fietsen, als je richting noordoost rijdt en de schrale wind noordoost is. Daarom heb ik wat ingehouden. "Iej zatten mien lekker op de konte", antwoord ik. "Dat hol' ik zo neet vol!" Zwijgend fietsen wij naast elkaar voort op het brede fietspad. "Zo old bin iej anders nog neet". De man kijkt me vragend aan. "Ietskes older", zeg ik, want ik ben niet van plan hem te vertellen hoe oud ik ben. "Ik bin de vieftig hallef deur!" roept hij nu trots. "En ik kan alles nog; noe, tegen de wind in hale ik nog bienoa twintig kilometer in 't uur!" "As een gatvlege; dat klopt", lach ik terug. De man lijkt kwaad te worden. "Hé, hé, 't was mar een lolletjen; iej hadden der lekker de vaert in!". We zijn op een kruispunt. Ik wil die kerel kwijt. Snel sla ik linksaf, terwijl ik roep: "Toch ietskes older, gatvlege!" Dan zit ik de trappers flink op hun rubbers en met de wind schuin achter vlieg ik richting Raalte.

Gatvlege. Daar heb ik eens woorden over gehad met iemand, met een Achterhoeker. Dat was, meen ik, naar aanleiding van een liedje. Daar kwam zoiets in voor als "Vliege, vliege, a'k oe kriege". Wij kregen het over allerlei soorten vliegen. Tientallen soorten zijn er. Ik kende er maar twee. De ene noemde ik altijd strontvlieg, want die zat op de paardenvijgen die vroeger op straat door de sleperspaarden gedeponeerd werden, hoewel niet wettig, denk ik. De tweede werd door mij gatvlege genoemd. Die soort kende ik vast door mijn vader of mijn opa van vaders kant; die kwam uit de Achterhoek. Ik wist zelfs hoe de gatvlege eruit zag en ik weet dat nog: het is een glinsterende bruine vlieg met een hard pantser. Daar kreeg ik ruzie over. Mijn tegenstander wilde de strontvlieg, met blauw-groen glanzend pantser, 'gatvlege' noemen en de gatvlege een 'strontvlieg'. We werden het niet eens. Eén ding wisten wij beiden zeker, geen meningsverschil daarover, zij moesten het allebei van het 'gat' hebben!

Paardenluisvlieg is de Nederlandse naam van de gatvlege. In de biologische wereld heet hij 'Hippobosca equina'. Zelf weet hij dat niet. Deze glanzende vlieg sliert zijn arabesken rond de achterste delen van paarden en koeien en hij zetelt tussen de borstelige haren van de paardenrug. Tussen de haren van koeien wordt hij volgens veel Achterhoekse boeren ook waargenomen. Niet bij 'Center Parcs'. Daar schijnt volgens de tv-reclame ene heer Van Olffen dag in dag uit te logeren om vliegen 'nu even niet' te bestuderen. Hij mept ze kapot met zijn dagblad, tenminste hij doet pogingen daartoe. Genieten geblazen in zo'n park!

Mijn bruine gatvlege bestaat uit de segmenten gat en vlege of vlieg. Een gat is een opening. In het Oudsaksisch is het 'gat'. Het is daar ook het 'achterste'. Met die betekenis moet het begonnen zijn. Oudindisch 'hadati', let op 'at', is 'hij schijt'. Ik wist dat niet, maar mijn etymologisch woordenboek beweert dat. Mooi meegenomen, als het waar is! Een vlieg vliegt. Vliegen kun je met vleugels doen. Een vlieg is een insect. In het Middelnederlands spelde men 'vliege'. 'Flyja' is Oudnoors. In elke Germaanse stamtaal komt een vorm van vliegen voor. Vliegen is feitelijk 'zwemmen door de lucht'. Misschien heeft het dat mede betekend. Het Litouws kent 'plaukti', wat zwemmen betekent. De gatvlegen zwemmen, vliegen, zwermen om de konten van de paarden en de koeien. Zij doen hun best er iets van te maken. Dat lijkt tenminste zo. De gatvlege die mij op mijn achterste zat, is gelukkig in geen velden of wegen meer te zien. Zeker is dat hij er iets van maken wil. Wat? Daar moet ik naar raden. Want helemaal fair was hij niet. Hij bleef in de luwte achter mij, liet mij het zware werk doen. "Lellijke gatvlege!"