Frokjen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

'Erik' van Godfried Bomans. Ik zoek het boekje eerst in mijn boekenkast in de woonkamer, maar daar staat het niet. Ik loop de trappen op naar de zolder, naar mijn werkkamer. Daar zie ik het meteen in mijn werkkastje staan. Dan heb ik dit tere werkje al eerder bij mijn schrijverij gebruikt. Ik kijk niet naar de tekst, ik zoek de tekeningen van Thole. Hier worden ze de "prentjes van Karel Thole" genoemd. Het zijn pareltjes van tekenkunst.

Ik moest ineens aan Thole en Erik denken, toen ik Wim Lubberding hoorde en zag voorlezen uit eigen werk op die morgen in de Fermerie. 'Die' morgen was een eerste zaterdagmorgen van een maand waarop de Dialektkringe Salland en Oost-Veluwe bij elkaar komt in de Fermerie in de Molenstraat te Deventer bij het Muggeplein, alle belangstellenden altijd hartelijk welkom. Een van de verhalen uit de "Statendialectgeschriften", de dikke, duimendikke bundel papieren van Wim, gaat over een 'frokjen', een hemdje, dat een moeder een kind aantrekt. Of nee, het gaat niet over frokjen, het wordt erin genoemd. Na de 'lezing' van Wim vroeg ik hem wat hij precies met 'frokjen' bedoelde. "Een hempjen", zei hij. In een flits zag ik Erik voorbijgaan, gezeten op de rug van een hommel, in zijn hansop, een kledingstuk, een 'kleedje' dat ik bij mijn lessen Nederlands op de HBS door de heer Staverman wel een 'frakje' had horen noemen. Nu zoek ik Erik op de hommel. Bladzij 64. Daar zit Erik op de rug van meneer Van Vliesvleugel, in zijn hansopje. Negen jaar is hij. Dat werd ik in 1936. Toen droeg ik nog zo'n frakje, zo'n frokjen; Dat laatste zou ik in het Middelnederlands gezegd hebben. Een frok is in die taal een overkleed van geestelijken, ook een staatsiekleed. Mijn hansop, uit één geheel bestaande met in mijn herinnering knoopjes aan de rugzijde, werd door mijn moeder dichtgeknoopt als ik naar bed ging. Het klepje aan de achterkant van de broek werd voor mijn kontje geslagen. Ik knoopte zelf de bandjes ervan aan de voorzijde dicht. Dat was gemakkelijk voor als ik 's nachts een grote of kleine boodschap moest.

Hempje of hemdje komt van haam. Een haam is een omhulsel. Ik denk daarbij aan lichaam, het omhulsel waarbinnen mijn leven zich afspeelt. Binnen mijn hemd speelt mijn leven zich tevens af. Ik zie nog mijn vader weerkeren van de reis. Hij gooit een pak op tafel en hij lacht. Mijn moeder maakt het open. Fijn geweven of gebreide hemdjes komen eruit. "Wat fien ebreid!" roept Moeder. "Veur de jonges ", zegt Vader. "Het bint interlökskes". Interlockjes leerde ik pas later spellen. En ook dat zulke hemdjes zo heten, omdat ze te maken hebben met het Engelse to interlock, wat in elkaar grijpen betekent.

Voor die tijd droeg ik 's winters gebreide wollen borstrokjes, nog steeds in mijn herinnering, 's zomers een soort frokjes waarvan ik niet veel meer weet. Maar dat doet er ook niet toe.

Mijn grootvader van vaders kant was een lange, statige man. Hij was zo'n één meter tachtig; dat was voor zijn tijd erg lang. Met zijn frak, zijn donkere lange mooi gesneden pandjesjas, leek hij heel deftig. Dat vond ik tenminste.

Ook zijn 'frak' was ontleend aan het Oudfranse 'froc', monnikspij. Froc is in wezen van dezelfde stam als het Germaanse 'rok'. In het Oudsaksisch is het ook bekend als 'rok'.

Ons rokcostuum is niet anders dan een frak. Trek je je rok of je frak aan? Maakt niet uit, als je niet je frakje of je frokje bedoelt! Het laatste is juist wat 'minder omhuld', 'meer onthuld'.

Mien frokjen heet nog altied een interlöksken; dat vind ik mooi klinken. Misschien komt dat doordat ik nooit 'fröksken' hoor, wat logischer zou zijn, of 'fröksien'.

Ik blader verder door Erik en ik zie nog vaak de jongen in zijn hansopje. Bedankt Wim!