Fokke

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

Waarom moet ik plotseling aan mijn oom Herman uit Zutphen denken, als ik voor de dokter sta? Ik zie de behandelkamer van deze kaakchirurg voor me met de gereedschappen die hij straks bij mijn kaakbehandeling nodig kan hebben. En dan weet ik het. Oom Herman was een smid, een heel goede. Deze dokter is, gelukkig voor mij nog niet was, een edelsmid. Mijn oom werkte met het grote grove gereedschap, deze ivoorbewaker werkt met het fijne 'grei', dat in mijn mond opruiming moet houden en eventueel nieuwe aanplantingen moet verrichten, gestuurd door de geoefende handen van de 'Meester'. Ook mijn oom was 'Meester' in zijn vak; die titel had hij zich veroverd.

"Kan ik de brille opholden?" vraag ik. Deze dokter en ik spreken immers dialect met elkaar. "Hold de fokke mar rustig op; doorachter lig mien terrein neet", antwoordt hij. En dan zie ik mezelf staan op dat schip, die rijnaak aan de kade in Zutphen. Oom is bezig ijzeren platen aan elkaar te lassen; ik kijk naar een voorbijzeilende tjalk. Die gaat stroomaf. De fokkemast is boven de scheg opgezet. De fokke bolt iets in de heel zwakke wind. De scheg is net een neus, waar de fok als een bril met één lens op staat. Nu begrijp ik die metafoor, toen 'snapte' ik de gelijkenis niet.

"Trek oew schonen mar uut", hoor ik de dokter zeggen. Ik gehoorzaam automatisch. "Doot de mond mar lös". En de chirurg kijkt me in de mond. "Oh, doa ka'k zon man as iej bint, neet in goan sniejen; ik zal dee wortels wel trekken." "Dat hei'j gauw ezeen", zeg ik of iets van die aard. "Och joa, lange erväring". "Joa, de dokter is ook al neet zo jong meer". "Viefenzestig, ik mot dermee stoppen; of en too nog wat biespringen". Ik zie weer die tjalk in de jaren dertig daar in Zutphen stroomaf drijven, aflenzen heet dat, met de fok op. En ik zie daarin plotseling de dokter die mij nu helpt. Hij draagt net als ik een fokke, een brille, en hij lenst af. Kalm en waardig vaart hij langzaam op een zacht en zoel windje, stroomaf. En plotseling krijg ik een enorm respect voor al die scheepjes op de levenszee, die vijfenzestig jaar, meestal met volle zeilen, de fok ook bijgezet, tegen de stroom op voeren om voor zichzelf en hun kroost een bestaan te verzekeren. En ik denk aan al die mensen met pensioenbreuken, die na hun vijfenzestigste niet rustig kunnen aflenzen op het fokkezeil, en hun grootzeil niet kunnen strijken. Het blijft voor hen ploeteren strijk en zet. Het doet me denken aan vorige eeuwen, toen aflenzen voor de mens niet bestond. Hij en zij konden niet lui, ledig, lenig, afdrijven naar rustige wateren, mochten niet op hun lauweren gaan rusten, konden niet werkloos in een hoek gaan zitten met de fokke op, om een boek te lezen. In de Middeleeuwen toen de focke enkel nog maar een kleinzeil was en geen brille, kon men zelfs als gewoon mens niet aan boeken komen, laat staan dat men ze lezen kon..

De kaak rondom mijn wortels is inmiddels verdoofd. De dokter gaat aan zijn zware arbeid. Hij moet alle zeilen bijzetten. "Nou, nou, ik kan wel merken dat den der nooit eerder uut-ewest is", zegt hij. En: "Of en too heur iej wat kraken, mar schrik door neet van". En onder het tellen van "dat is een, dat is twee en dat is drie", trekt hij er drie wortelpunten van één kies uit. De wond hoeft niet gehecht te worden, en ijs op de kaak is niet nodig. "Het is volbracht", zegt de edele tandarts plechtig en nobel. Nou, nou, iej bint biebelvaste". "Ik sprèke de tale Kanaäns", lacht de dokter.

Even later sta ik buiten. "Fokke", zeg ik hardop, "een brille dee alle gepensioneerden past, een zeiltjen, woormee alle olderen oflenzen kunt, kallem an kunt doon; dat wens ik!" Ik weet dat het een vrome wens is.