Flotsig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

Zijde-achtig ziet deze cocon eruit. Ik ken de pop niet. Of het een koolwitje wordt, een kleine vos, een bepaalde nachtvlinder, ik weet het niet. Het interesseert me wel, maar ik heb me nooit de tijd gegund met het vlinderleven bezig te zijn op het hoogste belangstellings-niveau, dat van de observator en onderzoeker. Een zijde-vlinder zal zich hieruit zeker niet ontpoppen. Zijderupsen plegen in ons land niet voor te komen. Hoewel? Moerbeibomen hebben we zelfs in onze steden nog, meestal in heel oude tuinen. Achter het huis van een oom van me, die tuin dateerde uit de zestiende eeuw, stond tenminste één oer-oude moerbei. Zacht als zijde, wat klinkt dat zacht. Soie floche, dat is Frans voor zachte zijde, klinkt veel harder. Het valt me steeds weer op dat onze Nederlandse taal zulke mooie zinvolle verbindingen heeft tussen klank en betekenis van woorden en uitdrukkingen.

Ik vind vele talen mooi klinken, ook het Frans. Het Engels doet voor het Frans niet onder, maar ... dat komt ook door de vele Franse invloeden die men in het Engels aantreft. Floche, zacht, is een mooi voorbeeld. Flossy, zacht, is de Engelse variant. Lange tijd heb ik niet geweten dat er ook Nedersaksische synoniemen voor 'zacht' zijn, aan het Frans ontleend. Dat ontdekte ik toen ik een bijeenkomst bezocht van enkel mannen. Het is nu al weer lang geleden. Onder de vergadering, het ging over ruilverkaveling, werd er enorm gerookt. Een van de heren had een zeppelin van een segaere opgestoken. Hij had het losse uiteinde, waar de tabak als haren uitstak, in vlam gezet. Het leek eerst wel een fakkel. "Foi, foi, het lik wel een raket, met dat floksige uutende", zei de man naast hem. En iedereen lachte, want men verstond hem. Floksig was voor de mannen hetzelfde als los en zacht, te los en niet hard genoeg. 'Floksig' heb ik toen verstaan. Ik verbond dat onmiddellijk met het Franse 'floche'. Onze taal heeft immers vele ontleningen aan het Frans, vooral uit ons feodale tijdperk. Floksig ben ik daarna nooit meer tegengekomen.

Een paar jaar later, ik geloof dat ik op bezoek was bij een nicht, zag ik een oude man, een echte opa, daar zijn kleinzoon over het hoofd aaien met zijn ruwe hand. "Wat een lekker flotsig höör hef dat jungsken, ik wol dat het miende ook nog zo zachte was", lachte hij, op zijn kale kop wijzend. 'Flotsig' met de o van bok, verstond ik. Later kwam ik dit woord tegen in enkele dialect-woordenboeken, afwisselend gespeld met d en t, 'flodsig' en 'flotsig'. Misschien heb ik ooit 'floksig' verkeerd verstaan.

Eens was ik een echte sinterklaas. Ik weet nog dat de kapper die mijn haar deed mij een baard van echte mensenharen omdeed. "Ik houd niet van die wattenbaarden; ze zijn me te vlossig", zei hij. Hij bedoelde dat ze te zacht en te onecht zijn. Hij zei 'vlossig' en niet 'Flossig'. Het laatste heeft de Saksische klank, het eerste de Nederlandse. Met 'vlasbaard' heeft vlossig trouwens niets te maken. Integendeel, de vlasbaard heeft weinig vlasachtige haren, de vlosbaard een dichte, zachte, vlokkige deken.

Zelf heb ik nog flotsig höör. Dat is geen verdienste, maar ik vind het wel fijn. Bij mij zit het boven op mijn hoofd; ik ken ook mannen die het aan de kin hebben hangen. Daar mogen hun kleinkinderen in aaien en graaien. Dat vinden ze fijn als ze klein zijn. Zelfs het haar op mijn armen is flotsig. Twee kleindochters kunnen daar hun handen niet vanaf houden. Eraan trekken doen ze ook met hun fijne knijpvingertjes. Dat is niet zo aangenaam. Maar ik zeg er niets van. Laat ze maar. Af en toe strijk ik door hun zachte haar als ze bij me op de knie zitten. Ze voelen zich bij me thuis. Houden zo!