Fietjen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

De bolderkar is meer dan zeventig jaar oud. Vader heeft hem gekregen van Opa in de jaren twintig. Een wereldoorlog heeft hij overleefd. Hij heeft dienst gedaan als sleperskarretje voor aardappels in die oorlog. Toen bij ons de vierde op komst was, zei Moeder: "Iejluu mot de bolderkärre möör hebben; dee steet toch möör in de kelder". En zo kwam hij bij ons terecht. De kinderen hebben hem gebruikt om oud papier mee naar de dorpsschool te nemen. De kleinsten hebben erin gezeten op lange wandelingen. In de zeventiger jaren gingen we hem gebruiken als plantenbak in de tuin. Midden in het gras stond hij zomer aan zomer. 's Winters verhuisde hij naar de garage. Verval trad langzaam in. Onderdelen werden vernieuwd. Op den duur werd het onmogelijk de tand des tijds te weerstaan. Midden in een mooie zomer zakte de kar in elkaar. Jaren stond het wrak achter de garage onder het afdakje. Iedere keer keek ik ernaar. Opruimen die troep? Moeilijke operaties verrichten om hem toch nog voor het nageslacht te bewaren? Nu is mijn besluit genomen. Hij gaat uit elkaar en met de vuilnis mee. Ik pak mijn grote klauwhamer, engelse sleutels, schroevendraaiers, zaag. Ik blijk ze niet allemaal nodig te hebben. De sleutels komen goed van pas. De moeren van de assen gaan er gemakkelijk mee af. Als ik een wiel van een as haal, blijkt dat ook al verteerd. De bus, het hart van het wiel, is het enige deel dat nog gaaf is. De twee ijzeren bandjes zitten er nog op. Herinneringen heb ik aan zulke bussen. Ze konden bij het drooglopen op de as zo lekker tergend pieeepen, in mijn dialect met een heel lange -iee-. Een mooie klanknabootsing is dat eigenlijk, pieeepen. Overdrachtelijk wordt het veel voor kleinzerige mensen gebruikt in allerlei vormen: Dat is een echte pieeperd. Wat een pieepkonte is dat toch! Plotseling zie ik mijn oom voor me die na zijn pensionering kruiwagentjes ging maken om in de vensterbank te zetten met een bloemetje erin. Moeder had zo'n kruiwagentje van hem gekregen. Waar zou dat toch gebleven zijn. Daar doorheen flitst het beeld van die Achterhoekse boer, naast wie ik liep. "Mien kruuwagen fietjet allermeugend", zei die, "iej könt mekäre neet verstoan". En toen we van het land terug waren, smeerde hij klodders groene zeep in de bus van het wiel.

Fietjen. Ik gebruik zelf het woord nog wel, als bijvoorbeeld mijn ronddraaiende fietspedalen piepen. Het heeft net als piepen een wat ongunstige gevoelswaarde. Heel ongunstig klinkt het in de verbinding met 'Jenne', wat een al wat vernederende naam is voor vrouw. Ik denk aan die vrouw bij de tandarts, in de wachtkamer. "Goa iej mar eerst", had ze tegen haar man gezegd. Toen hij terugkwam, zei ze: "Nee heur, ik goa neet. Kom, wie goat noa hoes hen!" "Wol iej as een kwaakkonte deur het dörp goan? Iej bint anders oke neet zon fietjenne!" riep haar man door de volle wachtkamer. Hij moet haar aan de arm meegesleurd hebben, de behandelkamer in.

Zo, die is uit elkaar. Ik haal de zwarte afvalbak op. Niet alles gooi ik erin. Van het goede hout kan ik wel iets maken. De metalen assen, twee stuks, en de vier moeren bewaar ik. Als de kleinkinderen wat groter zijn, kan ik daar wel een 'stuurkärretjen' mee maken. De disselboom kan dienen als 'bessemstelle'. De rijdende bak rol ik weer op zijn plaats. Hé, hij fietjet een beetje. "Vrouw, heb je nog ouderwetse groene zeep? De bak fietjet een beetje!" roep ik lachend. Een beetje verstoord kijkend komt zij naar buiten. "Wat roep je nou weer? Kom even binnen als je wat te vragen hebt". Maar ze heeft me best verstaan. "Ik heb wel van die zachte groene zeep. En maak de groene bak maar schoon".