Even

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

Er waren eens twee jongetjes die even oud waren; ze waren in jaren van gelijke leeftijd. Ze waren van gelijke lengte, dus even groot. "Ze bunt nog aait effen groot", zei hun moeder altijd, als ze de kereltjes naast elkaar zag staan. "Het bint ook effen-olders", zei de vader dan. Hij kwam uit Deventer, dus hij kon het weten. De jongens groeiden voorspoedig op. Ze bleken even intelligent te zijn; ze waren even goed in dezelfde sporten en ze werden even ondeugend. Daar werd door de ouders te weinig aandacht aan besteed, aan die ondeugendheid. Zo effenden die ouders de weg tot een gladde brede baan naar het verderf. De familie bleef dat niet om het even; de jongens mochten best elkaars evenbeeld zijn en bij het spelletje 'on-of-ef' rustig gemeen spelen, want dat deden zij ten opzichte van elkaar, ze mochten elkaar in alles evenaren - geen enkel bezwaar -, en even eerlijk hoefden zij ook niet te worden, maar onevenwichtig van gedrag zijn, dat was taboe! Een mens hoorde gelijkmatig te leven in een zo groot mogelijk evenwicht met zijn omgeving. De gelovige familie eiste dat de jongens een evenbeeld werden van hun Schepper, die hen naar Zijn gelijkenis geschapen had. Daar de knapen ondanks al hun misdadig gedrag goede vorderingen op de 'bewaerschole', de lagere school, het gymnasium, in hun woonstede maakten en vooral gevoel voor Taal bleken te hebben, nam een van de familieleden, een gerenommeerd taalkundige en mede daardoor psycholoog, zich voor zich daadwerkelijk met de opvoeding van de jongens te bemoeien en hij bedacht het volgende: "Ik zet die snotneuzen extra aan het werk, zodat ze buiten schooltijd niet evenveel vrije tijd hebben als hun medescholieren; daarmee bereik ik twee dingen, ten eerste houd ik ze van de straat, waar het meeste kattekwaad geschiedt, ten tweede effen ik hun geestelijke weg naar de toekomst; misschien leid ik ze zo op het smalle pad, waar geestelijk evenwicht zo nodig is."

"Wacht iej is effekes", zei de vader van de deugnieten, "wat geet mien dat kosten?" "Een evenaer of een effenaer", antwoordde de taalkundige in het Middelnederlands. Hij wilde met dat antwoord de vader van zijn stuk ofwel uit zijn evenwicht brengen, maar de vader had toevallig aardrijkskundige kennis en hij wist dus waar Abraham de mosterd haalde, maar niet aan de evenaar, niet bij een kompasnaald, doch bij een handelaar in mosterdzaad in Doesburg, die de mosterd keurig op een evenaar, effenaar of evenwichtsweegschaal (balans) afwoog.

"Wat mot iej noe met een balans?" vroeg de vader. "Die wil ik bij vooruitbetaling. Ik ga de jongens er iedere keer mee wegen. Hoe lichter ze worden, des te zwaarder drukt hun de ondeugd." De vader begon te lachen. Hij begreep dat de taalkundige de evenaar nodig had om zelf evenwichtig te kunnen blijven.

Zo gebeurde het. En het hielp. De jongens werden niet alleen de gelijke in geleerdheid met de taalkundige, neen, ze werden ook zijn evenknie in hun gedragingen. Het werden goede lieden in de maatschappij. Ze werden zo goed, dat toen ze de stad verlieten geen mens dat merkte aan vermindering van de misdaad.

Dit rare verhaal dat vertellen wil dat 'even' gelijk is aan 'effen', geachte briefschrijver, is het antwoord op de vraag: "Is 'effen-olders' uut het book "Dèventer vrogger en noe" wel goed? Mot dat gin 'èven-olders' wèèn?" Ik vinde het fijn da'j der een stuksken van heufdstuk XV bie edoan hebt: "Lest, toe'k met wat effenolders bie mekäre zatte, vrieg der mien ene, o'k ook mien eerste stappen op 't pad van de "wetenschap" op de vroggere spölschole in "de Steegjes" hebbe ezet, o'k mien dat spulleken door nog veur de geest kon halen .... ."