Espen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

"Iej trilt as een espenblad", klinkt een stem van een vrouw, als ik, toch nog overstuur van het bijna-ongeval, zogenaamd haar frisse moestuin sta te bewonderen. Ik vertel hortend over het incidentje dat zich net heeft afgespeeld tussen een rechtdoorgaande auto en mijn persoontje. Maar door het woord ESPENBLAD is de schrik plotseling verdwenen, want op de grens van ESPELO en HOLTEN klinkt ESPEN-blad toch wel aardig. Ik zeg dat tegen de al wat oudere vrouw. Zij lacht. "De jongeluu van noe weet egeeneet meer wat een espe feitelijk is", zegt ze. Natuurlijk geef ik te kennen dat ik weet, dat een espe een soort peppel, populier, is, die in maart -april zijn katjes draagt en aanvankelijk in de lente bijna cirkelronde, stomp-getande, eerst zijdeachtig behaarde blaadjes heeft. "Joa, mar iej mot nich denken da'j nog bie de jongeluu heurt", glimlacht zij. Ik vertel haar maar niet dat ik ondanks deze theoretische kennis de espe tussen andere boomtypen niet zou kunnen aanwijzen en dat mijn kennis niet verder reikt dan een beetje taalkunde, die zegt dat de espe, in het Nederlands ook wel esp genoemd, de ratelpeppel is, die in het Oudengels AEPS heet naast AESP. In niet-Germaanse talen komt het woord tevens als APSE gespeld voor. Verder heeft men mij verzekerd dat in het Russisch deze boom OSINA heet. De -P- is daar verdwenen. Wonderlijk vind ik altijd weer de neiging tot medeklinkerwisseling of metathesis, die in de loop der geschiedenis bij zulke woorden met -ESP- heeft plaats gevonden. Daarbij denk ik dan aan WESP bijvoorbeeld. Dat was in het Oudsaksisch al WASPA geworden, terwijl de woordstam toch VAPS is. En waarom is dat voor mij zo wonderlijk? Omdat anno 1994 kleine kinderen en Nedersaksen nog altijd spreken over WEPSEN en niet over WESPEN. Het is niet aan te tonen dat in GESP die medeklinkerwisseling heeft plaatsgevonden, maar zeker is het dat GEPS dialectischer klinkt, in mijn gehoor in ieder geval. Over HESP of HESPE praten we maar niet, want daarvoor wordt het woord HAM algemeen gebruikt.

"Bi'j zoo in gedachten? Ik heb oe al een paer moal evroagd o'j koffie wollen". Ik knik. En dan vertel ik toch maar wat er allemaal in me opgekomen is aan associaties in die enkele minuut.

"Weet iej dat allemoale wel zeker? Ze schrieft en zekt zoovölle. In de beuke steet het wa', mar dan is het nog neet altied woor!"

Ik voel dat ik een kleur krijg. Ik ben weer aan het schoolmeesteren geslagen. Dat kan ik nu eenmaal niet laten. Ik zeg dat zij gelijk heeft. De wetenschap die ik bedrijf, is er een van naslaan in geschriften, en die zaken die gevonden zijn, met elkaar vergelijken. Ik kan op grond van feiten vaststellen dat ESPELO het BOS van de ESPEN is, maar meer ook niet. Waarom heet het niet ESPEBOS? Is dat omdat de buurtschap op een open plek, een loo, in dat bos is ontstaan of omdat dat bos van espen al ESPELO heette, voordat men zich er vestigde? Ik zou het graag weten, maar daar kom ik niet achter. Naamgeving is een heel bijzondere aangelegenheid. "Iej liekt mien nog wel een redelijke kerel", zegt de vrouw, als we al pratend een heerlijk bakje koffie zitten te drinken in haar oude keuken, waar aan een hangijzer de moespot nog boven het denkbeeldige houtvuur hangt. We kijken er beiden naar. "Een boel dinger in de taal bint heite hangiezers; een mense kan ze beter mar nich anvatten", zegt de oude vrouw dan, "dan kan hee de vingers der ook nich an branden". "Iej komt zeker uut Twente", antwoord ik heel onlogisch. "Joa, en ik hoape nog een moal weerumme te goan noa Borne". Ze zwaait me na, als ik richting Holten fiets. Ach toch, we hebben ons niet eens aan elkaar voorgesteld.