Empe

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 12 december 2008

Wie 's zomers een hommel door de lucht ziet hommelen en schommelen om zijn kostje van bloem tot bloem op te scharrelen, ziet al snel verwantschap met dat wollige, schommelende dreumesje, dat net kan lopen en dat hommelt en schommelt van het ene glinsterende dat grijpbaar is naar het andere. En zo'n kleine hommel is natuurlijk in het Nedersaksisch niet alleen getooid met een zacht en wit beschermend hoedje tegen de zon, maar ook met een umlaut of ombuigingsteken tegen een verkeerde uitspraak en zo wordt een hommel een hummeltjen, hummeltie, of hummeltien en een kleine ondeugende drommel een drummeltjen, drummeltie of drummeltien. Daar moest ik aan denken, toen die opgeschoten knaap, naar zijn streektaal te oordelen kennelijk een Drent, een man toevoegde: "Hé, mieghummel, kui'j neet bèter oetkiek'n, man?" De man die onverwacht zijn autodeur open gedaan had zonder in de spiegel te kijken, had de bromfietser bijna van zijn voertuig geslagen, en hij maakte beduusd enige handgebaren. Maar de jongen was al verdwenen. "Wat zei dat jonk dat ik was?" "Een mieghummel", antwoordde ik. "Wat is dat?" "'Miegen' is wateren en een 'hummel' is iemand die onbenullig handelt. U bent in zijn ogen een Jan Onbenul", zei ik. "Een zeikstraal dus", verbeterde de man. Toen liep ik maar verder, het dorp in. Hier kennen ze, denk ik, het woord 'mieg-empe' beter. Een mieg-empe of een empe is een mier, terwijl ik 'empe' ook wel eens heb horen gebruiken voor een bitsige haaibaai van een vrouw. Een mieg-empe kan dus ook een z..kw..f zijn. Overigens kan dat scheldwoord tevens voor mannen gebruikt worden. Hoe mieg-empe tot de betekenis 'mier' gekomen is, is me niet helemaal duidelijk. Ik vermoed dat de betekenis van empe als mier wat zoek geraakt is, en dat men er het woord 'mier' voor geplaatst heeft: mier-empe, uitgesproken als mieg-empe.

Ik weet dat 'empe' een pracht van een taalgeschiedenis heeft. Die moet ik maar eens noteren van jong naar heel oud. Empe. Ik weet dat ook gespeld wordt 'emt' en 'empt'. Emt leidt mij regelrecht naar het Middelnederlandse 'amete'. Dat kan ik vergelijken met het Oudsaksische 'meita'. Het woord 'ameita' moet afsnijden of afbijten betekend hebben. En daarmee is de naam 'amete' verklaard: de mier heeft geweldige kaken, waarmee het dier wonderen kan verrichten, zelfs lichamen in moten snijden. Dat las ik ooit in "Erik of het klein insectenboek" van Godfried Bomans. Het Gotische 'maitan' is 'houwen', 'af-maitan' is afhouwen. De 'mijt' is een spinachtig diertje, dat als rovertje ook van wanten weet. 'Moot' betekent afgesneden of afgehouwen stuk. In het Nederlands vinden we dat woord sinds 1567. Empe is dus een heel mooie naam voor mier. Het geeft weer wat de meeste mieren zijn: vleeseters. Het woord zegt tevens dat een aantal mierachtigen rovers en soldaten zijn. De mens weet dat al duizenden jaren. Als jongen kwam ik veel in dennenbossen, zo noemden we alle naaldbossen. Wat heb ik daar mierenhopen ge-observeerd. Vooral die heuvels van 'rooie mieren'. In slagordes trokken de 'afbijters' met hun 'kaakmessen' tegen naaktslakken, loopkevers, rupsen, muizenlijkjes ten aanval. En je hoorde ze hun 'messen' slijpen. En als ik nu het woord 'empe' hoor, denk ik dat het een toepasselijke naam voor de mens zou zijn. Die heeft immers zijn hele cultuur aan de natuur ontleend, maar zelf heeft de mens zijn doen en laten aangeduid met vleiender namen. "Wat is cultuur eigenlijk?" vroeg iemand me laatst. Ik dacht aan de empe en antwoordde: "De verbloeming van de natuur in de mens". "Waarom verbloeming?" "Omdat het egoïsme in de mens slechts mooi getint en kleurig wordt!" Empen willen overheersen met hun wapens. De mens verbloemt zijn natuur in beeld en woord.