Droeven

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

"Ik bin mien hundjen kwiet. Ik ware dermee an 't kuier'n en toen is e mien goan drossen", zegt de man die ik in het bos ontmoet. "Ik denke, hee is noe wel an mien gewend; ik kan 't dierken hier wel effekes lös loat'n loop'n, möör hee gong der as een haze vandeur". De tranen springen hem in de ogen.

"Kom op, wiebeiden goat zeuken", zeg ik vastberaden. "Iej kent de weg hier. Iej goat links, ikke rechts. Dan lope wie beiden een kringesken, tut wie mekäre weer integen komt".

Daar gaan we dan. Ik kijk al lopend zoekend rond. Hier en daar zie ik merkjes van konijnen, op kleine druifjes lijkende keuteltjes op hoopjes. Dat hondje volgt natuurlijk zijn jachtinstinct. Het is te hopen dat we het vinden voordat de jachtopziener het op de korrel neemt. Zou die hondenman niet weten dat hij zijn hondje hier aan de lijn houden moet? De man lijkt me trouwens een rare druif. Hier een hond loslaten, is om ongeluk vragen. Hé, daar beweegt wat. Ik maak een sissend geluid tussen de tanden. Iets huppelt door de struiken. Een hondje. Het springt kwispelstaartend tegen me op. Ik grijp het. Hebbes. Zijn baas komt er in de verte al aan. Ik 'beure' het diertje hoog op. De man zwaait blij. Even later zit het beestje weer aan de lijn.

"Iej bint een räre droeve", zeg ik met een extra lange oe om aan te geven hoe raar de 'druif' wel is. "Iej kond'n toch weet'n da'j hier gin hond'n lös meugt loat'n, en tweedens dat oew hond achter de k'nien'n an zol goan". "Doa he'k gin mement an'edach'! Härtstikke dom van mien!" Dan gaan we ieder onze weg. Ik, zoals zo vaak, in gedachten.

Drossen, er vandoor gaan, in het Frans 'drosser', laten afdrijven; in het Italiaans is 'trozza' bekend, wat ook afdrijven is; dat meen ik tenminste. In het latijn komt 'torquis' voor. Dat is een gedraaid touw. Wel aardig, iemand kan slechts gaan drossen, als hij los van de tros is. Als een druif van de tros valt, drijft hij af; hij drost. Drossen is familie van tros. Er is wat we noemen een bloedband. Plotseling zie ik de stamboom van mijn familie voor me, driedimensionaal, Die stamboom zou ik in mijn Plat best 'stamtrosse' durven noemen, al staat de boom en hangt de trosse. Aan de trosse zit de 'droeven'. Zij hebben een zekere gelijkheid, in kleur helemaal. Zij zijn alle vruchten aan dezelfde tros, met veel overeenkomende eigenschappen. Maar er zijn vaak zulke grote verschillen ook, dat de ene druif de andere gemakkelijk 'een räre droeve', of een 'vremde drossel' kan vinden. Zou daar de taalkundige verwantschap tussen druif en drossel liggen. Een drossel is een lijster; die pikt de 'druufkes' al op, als het nog 'druppelkes' zijn. In de Middeleeuwen was de druif een 'druve' en druipen was 'drupen'. Waar was die druipsteengrot ook weer, waar die hangende kegel op een druiventros leek? Ik weet het niet meer. Het kan me ook niet schelen. De 'droeven' hebben in ieder geval ons aan mooie uitdrukkingen geholpen. Eens denken of ik er nog wat weet. De druiven zijn zuur. Men leest geen druiven van doornen. Een mooie druif; dat is een mens die zich onwaardig gedraagt. Ik had een druifje; een druifje is hier in de oude betekenis een meevallertje, een 'afdrijvertje'. Er zullen er wel meer zijn, maar die ken ik dan niet.

Druiven, druven, droeven; drie dialectische verschillen in klinkers. Ik hoop dat veel taalgebruikers opgemerkt hebben of op zullen merken, dat streektaalverschillen zich meestal op het gebied van de klinkers afspelen. Dat weten doet een dialect beter verstaan. Hoe het ook zij, ik hoop dat op taalgebied veel door de mens bereikt worden kan, dat dus 'de droeven zeute, zoet bint'.