Drijven

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Met een lekker zuidwesten zomerwindje in de rug laat ik me op mijn fietsje langs de Olsterweg naar Hengforden drijven. Er waren tijden dat ik zo eigenwijs was, dat men van mij zei: "A'j hem bie Dèventer in 'n Ieselt gooit, drif e sebiet nöör Zutphen!" De mensen die dat zeiden, hadden gelijk, want ik was een gedrevene, die voortdurend tegen de stroom oproeide. Ik raakte door mijn gedrevenheid vaak IN DRIFT, tot ik leerde, dat ik me beter ontspannen eens kon laten drijven. Dat had weer tot gevolg dat ik soms OP DRIFT raakte; dat was natuurlijk ook niet de bedoeling. Bij drijven moet je er immers altijd aan denken, dat je het roer van je bootje losjes maar gericht in handen moet houden. Dat laatste heb ik, geloof ik, bij het onderwijs wel geleerd.

Inmiddels ben ik de bocht bij 'Het Wijnbergen' en 'Het Nijenhuis', door mij uitgesproken als 'Wienberg'n' en 'Niej'nhuus' om en moet ikzelf wat steviger trappen. In de volgende wegbocht ligt links het 'Hengfordense Skeultj'n', dat al jaren geleden opgeheven is, en waar in 1948 officieel mijn meestersloopbaan begon. Hoe dichter ik er nader, des te sterker 'drif mien heufd nöör dee tied weerumme'. Wat was ik blij toen, dat mijn Nedersaksische taal dezelfde was als die van de 'kindekes in de eerste, tweede en derde klasse, veur wee ik een völs te strenge meester wazze'. Toch hielden ze van hun meester, geloof ik. Tussen twaalf en één zaten we aan de 'Wètering' ons 'breudj'n' te 'èè..t'n'. Zelfs dan kon ik het nog niet laten: "Zee'j dee koppel zwan'n driev'n met dee jong'n? Zol d'r ook een lellijk entjen bie wèèn? Heur, ze proat met mekäre. Luustert möör". En ik verzon in de juliwarmte een verhaaltje in het dialect: Het ging natuurlijk over DRIJVEN. Want wat dreef er allemaal niet in het water. Natuurlijk, ik zei vaker "drieven" dan "drijven" en hele stukken waren enkel dialect. "Ik drieve zo lekker", zei de kleinsten. "Drief iej dan mar fijn wieder", zei vader zwane. "Nee!" riep moder verschrikt, "hee drif kats de verkeerde kante op. Straks kump der een waterrotte ...!" "Zwemt allemoale hierhen, dan blieve wie bie mekäre", zei Vader weer.

Op die manier komen in mijn herinnering: ik drijf - drieve, jij drijft - drieft, drijf jij - drief, hij/zij/het drijft - drif, wij drijven - drieft, drijven wij - drieve wie, jullie drijven - drieft, zij drijven - drieft. Feitelijk zou men ook de omgekeerde werkwijze kunnen toepassen om sprekers van het standaard-Nederlands een dialect te leren spreken. Dan zou meteen de spelling aan de orde kunnen komen. Bijvoorbeeld: hee drif + t voert tot op DRIFT raken; zee schrif + t leidt tot op SCHRIFT zetten.

Ik ben nu bij de school; ik laat me, nadat ik mijn fiets tegen de muur gezet heb, langs de grasoever een eindje naar beneden zakken en ik zit, ruim vijfenveertig jaar na de eerste keer aan het water. En zie, ze drijven er nog, het witte zwanenpaar met oudere jongen, twee in getal. Ze drijven, zoals ze drijven moeten: ontspannen en toch oplettend. De sierlijk gebogen halzen maken mij rustig. Mijn denken staat stil. Achterover ga ik liggen. Ik kijk in de blauwe lucht met de witte wolken. En ineens is er dat citaat: "Ik was een kleine jongen en ik lag naast moeder in het warme gras... De witte wolken dreven boven mij voorbij ...." Ik dreve, iej dreven, hee dreef, wie dreven, iejluu dreven, zee dreven .... Oh, had ik dit allemoale möör op'eschreven", hoor ik mezelf nog zeggen. Dan drijf ik weg op de wolken van de droom...

Als ik even later, of is het langer, wakker word, ben ik noch in drift, noch op drift, maar wel op dreef. Zittend aan het water probeer ik alles op een rijtje te zetten. Ik laat me drijven op mijn associaties, ontspannen: ik laat me niet drijven, door niets.