Dödderig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Samen naar de kermis of "noa de kärmse". Dat laatste deden wij, een stel vrienden uit dezelfde buurt. 's Avonds natuurlijk. We hoopten aardige meisjes tegen te komen, met wie we zwieren en zwaaien konden in de zweefmolen, de rups, de bots-autootjes en noem maar op. Drie gulden had ik; dat was toen een heleboel geld. Ik moest dus uitkijken hoe ik het uitgaf. Met z'n drieën stonden we naar de vonken te kijken, die boven uit het gaas-plafond van de hal van de 'boks-autootjes' spatten. "iej zollen der duzelig van word'n", zei Hein, die niet steil naar boven kijken kon. Mij brandden de centen in de zak om uit te geven, maar ik wilde nog even de warme guldens bij me houden. Toen ik ze heel voorzichtig in mijn vuist gebald uit mijn zak trok en mijn blik omlaag richtte, nogal snel, werd ik 'duzelig' of liever 'dudderig', wiebelig op de benen en een beetje slaperig; ik zag alles wazig. Ik voelde hoe mijn vuist zich ontspande en het geld me ontgleed. "Wat kiek iej sloaperig. Wo'j een dutjen doon?" vroeg Piet. "Waa.t? "Iej kiekt zoo dödderig. Wo'j goan dutten?" Ik kwam weer een beetje bij. Nu was ik in staat te vertellen dat de drie zilveren munten uit mijn hand gegleden waren, doordat ik even van de wereld geweest was. We keken door de kieren van de planken vloer die op schragen geschroefd de omloop van de auto-arena vormde. Het leek daar beneden aardedonker, maar al gauw zag ik dat door de spleten tussen de planken een spiertje licht de klinkers van het Grote Kerkhof onder het plankier bereikte. En mijn nog dodderige ogen zagen nog meer: in een bijna gelijkzijdige driehoek lagen drie glinsterende guldens. Ik was de hele kermis vergeten. Ik dacht maar aan één ding: hoe die schat terug te krijgen.

Toen ik Hein en Piet gewezen had waar het geld lag, sprongen we de gaanderij af. Gelukkig kon ik me onder de stelling wringen. Natuurlijk had ik goed gekeken waar de plek was waar het zilver lag. Snel veegde ik de geldstukken bij elkaar. Toen zag ik nog wat glinsteren, het bleek een kwartje te zijn. Nu maar eens wat nauwkeuriger om me heen gekeken; verdraaid, er lag nog meer geld. Ik gaarde het allemaal bij elkaar. Toen kroop ik weer onder het plankier uit.

"Het is dööronder een goeie banke", zei ik. "Hier, dree gulden ebeurd en zestig cent rente". "Da's twintig procent", zei Hein. "Dee luu van de kärmse doot het der meschiens wel umme, met dee gaten tussen de planken. Ze hooft bie 't ofbrèken de centen enkeld möör op te gären". Wij geloofden daar niets van, Piet en ik. "Nou, dee mensen bint anders gin doddekoppen!" "Wat zeg iej noe weer?" "Het bint gin sloapkoppen, a'j dat möör weet. Buten dat mot een kärmse-opbrengst neet hoge wèèn, a'j heurt wat der allemoale of mot". Maar gelukkig werden we het er alle drie over eens, dat het geld onder de kermis-attractie daar louter toevallig terecht kwam.

Nu ik zovele jaren na deze wonderlijke gebeurtenis alles eens overdenk, dan vielen er die avond meer muntstukken louter toevallig op hun plaats: duizelen met zijn afgeleiden 'duzelen', 'dutten', 'dödderig', 'dodderig' en 'doddekop'. Het laatste woord was, denk ik, een nieuw-vorm; voor die kermis had ik het nog nooit gehoord. Het gekke is dat ik niet meer weet of ik op die avond nog kermis gevierd heb. Heel vaag staat me nog voor de geest dat ik mijn geld in veiligheid gebracht heb door het naar huis te brengen. Maar waarschijnlijk was ik te dodderig om het een en ander in mijn geest te behouden.

Zo, ik stop met denken aan het verleden, 't maakt mien zoo dödderig, da'k möör 's een lekker tukjen goa doon, joa, iej hebt geliek', een heel kort vlug dutjen.