Dissen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

'Grammatica van het Dèventer Dialect'. Ik blader er nog eens in. Ik vind namelijk dat ik een andere titel had moeten kiezen; dan was het de winkeldeur uitgevlogen. Nu is het mondjesmaat verkocht. Het boek had moeten heten 'Grammatica van een Nedersaksische strèèktaal, vanuut het Dèventers'. Want hoe meer ik er in lees, des te duidelijker wordt het me dat ik feitelijk het algemene karakter van het Nedersaksisch heb weergegeven. Helaas, gedane zaken nemen geen keer, en wie deze of 'disse' grammatica aangeschaft heeft, ontdekt bij de bestudering ervan zelf het algemene karakter dat van onze taal geschetst wordt. Ik denk dat een aantal studenten in de plattologie dankbaar gebruik van mijn werk maken. Jammer van dat foutje op bladzijde 13 in '... hebban olla vogala nestas bigunan ... '. Bigunnan staat daar met één n, terwijl dat er twee moeten zijn. Ik weet niet meer of ik 'disse' fout gemaakt heb. Ik denk van niet. Gelukkig dan maar dat 'disse' niet naar mij wijst. Het is immers een met de vinger aanwijzend voornaamwoord. Op bladzij 98 zie ik over 'zukke' woorden een stukje staan: "Anwiezende veurnaamwoorden bint der in het Dèventers een boel: zon, zuk, zukke(n), disse(n), gunne(n), den(d)e(n). Bekend bint de zinnekes: "Ik hebbe grote vissen evangen". - "Hukken?"(hoe groot) - "Zukken!" (Zulke), en met beide handen wordt de grootte aangegeven." Einde van het bladeren, want plotseling herinner ik me dat ik onder de titel 'Dissen en Gunnen' eens een met een eerste prijs bekroond sprookje geschreven heb, dat zich deels in het bezoekerscentrum de 'Zoogenbrink' en deels in de 'Duurse Waarden', voor mij 'Duurse Weerden' afspeelt. Ik klap mijn grammatica dicht en zoek 'De vliegende Slonde' op, een verzameling sprookjes in het Plat, in 1991 door de IJsselakademie in Kampen uitgegeven. Het duurt even voor ik het fragment uit 'Dissen en Gunnen' dat ik lezen wil, gevonden heb.

'Het werd zo-as de zwärte ooievaer veurspeld had; de reuzen kwammen en gingen en met hun het wassende en vallende water. As de reuzen um de Iessel met de Duurse Weerden stonden, ko'j zeen dat het ook mensen wären, möör met één gebrek: ze hadden gin benen ( de mensen staan bij een maquette op een tafel in De 'Zoogenbrink') en dat was een heel naer gezichte. Der was altied ene reus dee het woord dee en dat was de greune reus (de boswachter van Rijkswaterstaat). Met een zwöre balk (een aanwijsstok) zweiden e dan oaver hun land as het onder water liep (de maquette kan overstroomd worden), en hee vertelden hoe het langes de Iessel allemoal worden most (in het echt), terwiel dat het hier al zo was (op de maquette). Ze (Elsken en Denneken) raakten der an gewend. Ze hadden het heugste huusken ekoazen, zodat ze niks gin last hadden. Op een herfstoavend werd der ebeld. Denneken dee lös. De zwärte ooievaer stond veur de deure. "Wie komt een tweeling brengen." Möör hee had der ene in een dook in zien snavel. "Wöör is de tweeden dan?" vroeg Denneken. "Dee kump met mien vrindinne mee". "Wöörumme?" "Wie hebt beiden een ei uut motten breujen; het bint een jungesken en een mèken." "Wat is dissen?" "Een mèken." In de verte kwam een ooievaer anvlegen. "Dan is gunnen het jungesken", zei Denneken.'

Zo kregen mijn sprookjesmensen de namen van aanwijzende voornaamwoorden. Ik moet er nu nog om lachen. Wel aardig trouwens dat mensen vaak denken dat disse een verbastering is van deze, dat uit 'de' en 'se', Gotisch 'sai'(kijk) is samengesteld. Neen, disse is verwant met het Oudsaksische 'thit', ons 'dit', Engels 'this', uit te spreken ongeveer als 'dis'. Ik vind trouwens Disse een mooie meisjesnaam. Of wordt er met de vinger naar haar gewezen?!