Dingesken

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Hier in ons Achterhoekse gebied leeft een kabouter, een heel klein dingetje dus, die Dingesken heet. Hij wordt ook wel Dingeske genoemd, zonder -n, maar dat is dan in andere Platte streken. Dingesken heeft altijd een streepje voor; daarom noemt iedereen hem Streepken, en dat schrijven de mensen dan zo: -ken. Waarom heeft hij een streepje voor? Omdat hij het niet laten kan andere mensen te helpen. Wie kleiner wil worden gaat naar Dingesken toe. Hij neemt zo iemand onder de arm en zegt: "Lied, Leed, wil iej wat korter worden, nou dan; iej bint noe Liedeken, of heet iej lever Leeken, dat mag oke, heur". Hij dacht daarbij aan een oud Middeleeuws liedje: Heer Halewijn (Halewien) zong een Liedekijn (Liedekien), al die het hoorde wilde bij hem zijn (zien). Ja, want zijn grootvader heette Dincien met een -c of een -k, en die had ook een streepje voor, om dezelfde reden als Dingesken. Die werd wel streep-ien genoemd; de mensen in Drenthe bijvoorbeeld noemen hem nog zo. Die had trouwens een zusje; dat heette streep-el. Zij heette eerst Dingele, maar zij hielp tevens met verkleinen. Zij maakte van Eik 'Eikel' en van Beuk 'Beukel', door gemeenschap te hebben, door te paren, met Eik en Beuk.

Dingeskes betovergrootvader was enkele duizenden jaren geleden geboren in wat we nu India noemen. Hij was een gebronsde Indo-Germaan, tenminste, dat dacht Dingesken. Op zijn graf stond pas honderd jaar een steen. Zijn naam hadden ze moeten gokken, maar dat hadden ze eerlijk op zijn graf vermeld met een sterretje: *-ikin. Dat sterretje vond Dingesken een groot eerbewijs.

Als -ken aan het verkleinen was, gebeurden er dingetjes, die hij niet in de hand had. Er werd soms zomaar een nieuwe kabouter geboren, die hetzelfde kon als hij, die op hem leek, maar een wat andere naam had, ja, goed zo, bijvoorbeeld -etje of -tje. Die kabouter heette dus Dingetje. Dingetje was natuurlijk wel een heel stuk jonger dan hij was, maar ze konden goed met elkaar overweg. En dat was ook het geval met -pje. die werd geboren, toen Notenboom verkleind moest worden. Dat werd Notenboompje. Boom kon alleen -pje een arm geven. Je kunt dat zelf proberen, als je Notenboompje hardop zegt. Strepetje en Streepje werden echte Hollanders: Ze leerden nooit de -n op het eind van een woord uitspreken. Trouwens, -ken en -sken begonnen ook al met die fratsen en noemden zich Streepke en Streepske.

De Sallandse Notenboompjes noemden zich nog steeds Nöttenbeumkes. Dingesken was daar trots op, want om van de -oo- een -eu- te maken had veel kracht gevergd. Daarom noemde men hem wel Ontrondingesken. Hij wist wel dat hij die umlaut niet opwekte, maar dat het nog resten waren van de meervoudsvorming in het Saksisch: bakker - bekker, bome -beume, stok - stökke. Waarom -sken een stöksken kon maken wist zijn iets jongere broer eveneens niet. Het gebeurde toen ze trouwden. Omdat ze polygaam waren, had die umlautisering al dikwijls plaatsgevonden.

Op een dag ging Dingesken er eens goed voor zitten om zijn familieleden op een rijtje te zetten. Hij begon met *-ikin; hij probeerde een beetje de volgorde van geboorte of, zoals hij zei, 'klankverschuiving' in de gaten te houden: *-ikin, -ekijn, -eken, -eke, -chien, -chjen, -tsjen, -tjen, -ien, -jen, -ie, -je, -pje, -kje, -pjen, -kjen. Toen vond hij het wel genoeg. Zijn oud-tante -el zette hij er nog bij. Toen pakte hij zijn 'Grammatica van het Dèventer Dialect', van G.W.Kuijk, en hij zocht hoofdstuk 12, 'Vruiwken' op. Op de bladzijden 99 tot 101, zag hij, konden de mensen heel veel Dingeskes vinden, zowel vruiwkes als mennekes. Toen overzag hij zijn familie en hij was gelukkig.