Diejen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Een van mijn vele neven studeert biologie. Daar praat ik met hem over op die verjaarsvisite bij mijn jongste broer. We zijn daar met zijn twintigen, en dat zijn nog lang niet alle nazaten van mijn ouders. Onze familie dijt langzamerhand aardig uit, al groeien we niet 'vast in tal en last', zoals Vondel dat zegt voor de toename van het aantal wezen in het weeshuis te Amsterdam in de zeventiende eeuw. Neen, onze familie dijt niet enkel uit, ze gedijt mede: onze kinderen nemen toe in wijsheid en ervaring; zij groeien, zelfs tegen de maatschappelijke verdrukking in. Dat merk ik nu op in dat gesprek met mijn neef. Als ik hem vraag, hoever hij met zijn studie is, blijkt dat hij zich aan het specialiseren is. Hij vindt dat hij een "gedegen" opleiding gehad heeft in de richting van die specialisatie. Hij geeft er blijk van duidelijk te beseffen wat gedegen inhoudt; ervaringen in theorie en praktijk met planten en dieren, de nodige parate kennis verzamelen om zaken meteen bij de hand te hebben, niet alleen vertrouwen op je computer, nauwkeurig onderzoekjes verrichten, kennis opdoen die het VWO verzuimd heeft aan te brengen, de laboratorium-ruimte niet tot Natuur verheffen, en ... je verwonderen.

Zoals het Heelal nog dijt, blijkt de ontwikkeling van mijn neef te dijen; dijen - deeg - gedegen, dat is wat bij hem gaande is. Bij zijn vriendin, studente in de pedagogiek, filosofische richting, blijkt het precies zo te gaan; weloverwogen kiest zij haar weg door de doolhof van problemen bij een 'zuivere' opvoeding. De jongelui zijn zich beide bewust van de moeilijkheden en mogelijkheden van een leven naar ... !

Mijn, neen onze, kleinkinderen zie ik nu voor me. Toen ik in februari 1994 met mijn columnreeks begon, hadden wij één kleinkind. Nu ik met de tweehonderdste aflevering aan het tikken ben, zijn het er acht. Zo dijde dat door. En wij als grootouders konden daar niets aan doen. Het gebeurde. Dat is de kracht van dijen. Het gebeurt, of ... het gebeurt niet. Beïnvloeding kan maar tot op zekere hoogte. Het dijen van het Heelal tegenhouden is zelfs Gods onmogelijk.

Dijen, Achterhoeks 'diejen' gaat altijd gepaard met spugen of 'spiejen'. Dat heb ik bijvoorbeeld met mijn dijende berg krantenstukjes opgemerkt; Van de tien ideeën heb ik er soms wel zeven 'uut'espejen'. Maar bij de drie overblijvende goede ideeën zat dan ook alles mee. Nooit hoefde ik onder het denkend tikken te onderbreken om iets op te zoeken of na te kijken. Het zat al in mijn brein, als onderdeel van het idee. Het idee gedijde, groeide voorspoedig, het 'diede', zoals men in de Middeleeuwen zei. Het Oudsaksisch kende 'thian', wat ook groeien betekent. Uit het Oudindisch is 'tanakti' bekend: hij doet of laat stremmen. Waarschijnlijk is stremmen, dik(ker) worden, de oorspronkelijke betekenis van 'diejen'. En die betekenis vinden we in een Achterhoeks gezegde terug: "Spiejers bint diejers, zeg ik oe, um an te geev'n dat spiejende kinder gauw groot wordt". Dat zei ik eens tegen mijn zoon, toen een van de kinderen na een voeding begon te spugen. Hij keek me ongelovig aan. "Maar het komt er toch weer uit?" Maar hij heeft het geweten! Het kind werd groot en stevig.

Ik hoop dat mijn neef zijn studie biologie met succes blijft vervolgen, maar die nooit helemaal afrondt, want 'diejen' is nooit afgerond; het gaat door tot het omgekeerde proces gaat plaatsvinden; wie zichzelf afrondt, bevordert zijn eigen ondergang. Dat laatste is een aanvechtbare stelling misschien, maar het houdt mij aan het werk. Ik hoop nog wat te 'diejen' in mijn arbeid, het 'spiejen' wordt steeds minder gelukkig. Het plezier blijft.