Desterachtig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

En dan loop ik in mijn woordenboek zomaar tegen 'dissel' aan, in twee betekenissen. De eerste dissel is een soort bijltje om dingen netjes af te werken. De tweede dissel is de disselboom. Die bevindt zich tussen twee paarden die voor een kar gespannen zijn. Dissel in de betekenis van bijl ben ik nooit eerder tegengekomen. Ik zoek het op in mijn Dikke Van Dale. Het blijkt van het Latijnse 'telum' te stammen, wat 'werpspies' betekent. Een dissel blijkt een bijl te zijn waarvan het vlakke of holle blad dwars op de steel zit en naar de steel gekromd is, voor het behakken van boomstammen, uithakken van goten. Zo'n werktuig kan ik me ook in de handen van een klompenmaker voorstellen, die nog op traditionele manier zijn kluufkes, klompjes maakt. Ik zie hem die op een zorgvuldige wijze ermee behandelen. Ik begrijp nu 'bedisselen' ook beter. Ik zie me zelf als schoolmeester bezig een ouderavond voor te bereiden. De organisatie van zo'n evenement luistert nauw! Eén van de zes leerkrachten, in mijn tijd waren schooljuffrouwen en -meesters nog krachten, moest dat natuurlijk doen. "Laat Kuijk dat maar bedisselen", zei het hoofd. "Die kan dat wel". In 'bedisselen' heb ik altijd wat negatiefs gezien, iets bemoeizuchtigs, ik zie nu dat ik het verschil tussen 'bedisselen' en 'bedillen' niet goed in de gaten gehouden heb. Dat laatste is ook beredderen en goed verzorgen, maar vitterig; een ander kan het niet zogoed. Jij kunt het allemaal beter!

Eens kijken of ik bij 'Weijnen' nog iets meer aan spellingen van dissel tegenkom. Op bladzijde 34 tref ik distel, destel, dichtel, dester en desser. Bij dat laatste woord staat dat het een 'rijn' is. Wat is dat nu weer? Mijn 'Verdam', mijn woordenboek van het Middelnederlands geeft uitkomst. Het is een molenijzer, een ijzeren ring, liggend met daarop een metalen kruis met vier punten. In het centrum is verticaal een as bevestigd die rondgedraaid wordt als de molen in werking is. Het ijzeren kruis is verzonken in de bovenste molensteen en zo draait de 'destel' en de steen draait mee om het graan zorgvuldig te vermalen. Een mooie bedisselarij. En ik vraag me natuurlijk nu onmiddellijk af of iemand wel eens een oude rijn in de Rijn gedumpt heeft. Wat is taal toch mooi!

Wat is er in ons mooie Nedersaksisch van al die dissels overgebleven? Ik raadpleeg eerst maar de Oost-Veluwe. Een distel noemt men daar nog een 'dissel'; daar kan ik inkomen. Kibbelen, bekvechten is 'disselen'. Het verband met 'fijn malen' is duidelijk. De 'disselboom' bij een tweespan kom ik ook tegen. Er is geen verbinding naar de 'rijn'. Rien of rijn wordt niet genoemd. De Achterhoek geeft een woord meer dan de Oost-Veluwe. Ik tref in 'n Kleddeken Achterhooks, uitgave van Stichting Staring Instituut # Mr. H.J. Steenbergenstichting, een prachtig woord aan: desterachteg. Dat kan geen vergissing zijn. Er moeten daar mensen wonen die 'dester' in de betekenis van 'molenijzer' nog kennen, dat voorwerp dat onverdroten voortgaat met het aandrijven van de molensteen tot de molen wordt stil gezet. Geen graan wordt er gemalen zonder medewerking van de dester. Maar dan gebeurt het werk ook voorbeeldig!

En wat betekent 'desterachteg'? Juist, bemoeizuchtig en gelijkhebberig. In de aanvulling op de betekenis staat een mooi voorbeeld: "Dee is mi-j te desterachteg; dee hoof ik neet as veurzitter te hemn".

Zelf zou ik desterachtig met -ig spellen. Dat voor de leesbaarheid van het woord. Maar dat is natuurlijk bijzaak. Ik ben wel een desterachtige keerl, mar toch oke neet weer zo _!

En zo komt van het een het ander. Een mens bladert wat door zijn leven en een mens stuit daarbij op vragen. Het antwoord op die vragen is minder belangrijk dan het feit dat een mens zich die vragen stelt, de dester draait toch wel door!