Demsterig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Een duistere dag in de donkere dagen van de kersttijd. Een man gaat wandelen in de binnenstad. De lichtjes van de winkels en warenhuizen doen hem gezellig en intiem aan. Een lichte nevel hangt in de winkelstraten. Dampig schemerig is het. "Ik veule mien lekker met dat demsterige weer", denkt hij luid. Een vrouw die hem net voorbijgaat begint te schimpen. "Hoe is het meugelijk, bie dit kille, duustere, dempige weer", zegt ze, "de meeste mensen dee old bint en allene, holdt egeeneet (niet eens) van disse tied van het joor." "Ik bin neet old en oke neet allene; de duvel is old, en mien Grietjen hef straks as ik thuuskomme, de koffie bruun".

Ik sta stiekem te luisteren naar dit korte gesprek. De man is niet geprikkeld, anders zou hij wel gevraagd hebben of de vrouw "een beetjen wil dimmen". Gek woord feitelijk 'dimmen'. Het is namelijk jaren in onbruik geweest en toen opnieuw uit een vreemde taal ingevoerd, terwijl het zo'n mooie Oudsaksische afkomst heeft: thim. De Friezen hadden al eeuwen geleden 'dim', de Engelsen 'dimme', de Noren 'dimmr'. Al deze woorden betekenen donker, duister. Wie dimt, maakt de zaken wat duister, schemerig; zij of hij neemt wat weg van hetgeen voor 'licht' of 'waarheid' gehouden wordt. 'Wie in duisternis wandelt zal een groot Licht zien', staat er geschreven. Dat weet ik uit mijn bijbelse opvoeding.

De vrouw en de man zijn intussen al verdwenen. Jammer dat ik de rest van hun gesprek niet meegekregen heb. Misschien zou het wat geweest zijn om een mooi verhaal over te schrijven. Ik neem de fiets aan de hand en loop mijmerend door de 'demsterige' straten van mijn stad. Zou die man van daarnet ook figuurlijk graag in de deemster wandelen? Dan zou hij volgens het Middelierse 'deim' een in wezen sombere heer zijn. Hij zou dan ook nog obscuur kunnen zijn, een mens dus die voortdurend in duisternis wandelt. Zulke mensen zijn er veel tegenwoordig. Zij handelen en wandelen in het donker onzichtbaar onder ons, hier in de stad, waar je zakken zomaar gerold kunnen worden, op weg naar de stadions, als er weer een risico-voetbalwedstrijd is, in het verkeer, waar ze doorrijden na het veroorzaken van een ongeval, in de omgang met de medemens, op allerlei wijzen.

Neen, het is niet zo merkwaardig dat heel veel talen het woord 'deem', 'dim' kennen. Allemaal dimmen we in ons leven, soms ten goede, omdat wij anderen niet verblinden willen, vaak ten kwade, omdat wij iets te verbergen hebben. Je verbergen kan een gevoel van veiligheid geven, het kan ook angsten opwekken. Als ik in de herfst en de winter de dagen zie korten door het 'deemstiger' worden, heb ik de neiging 's avonds de woonkamergordijnen extra goed te sluiten om het gevoel van veiligheid te herkrijgen, dat na mijn lezen van de middagkrant bijna verdwenen is. De spaarzame verlichting in de kamer doet me "demsterig dreumen oaver vrogger toen de lanteerns ons lèven möör spöörzaam verlichtten". Ik ken een vrouw bij ons in de buurt, die slecht tegen schemer en duister kan. Zij schrok op een avond enorm, toen er bij haar gebeld werd. Zij ontgrendelde de bovenste helft van haar voordeur en opende die op een kier. Wat zag ze? Twee politiemensen in de deemster; ze droegen niet eens hun dienstpet. "Mevrouw, we komen Uw vergrendelingen controleren, als U dat wilt". Met een "U hebt gemerkt dat die hier wel in orde is", snel en angstig fel uitgesproken, smeet zij de bovendeur dicht. Natuurlijk is het fijn dat de politie ons bemoedert en bevadert, maar misschien kan zij dat beter doen bij klaarlichte dag. In de deemster en het volslagen duister kan zij ons beter bewaken tegen het optreden van 'demsterige luu' die er opuit zijn ons te belagen en te beroven.