Dellenhane

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Als ik die forse trotse haan door de ren zie stappen, zie ik meteen Jan voor me zitten, in zijn bank, gebogen over zijn papier, tong tussen de tanden. Ik hoor het krassen van zijn kroontjespen. Ik zie mezelf achter hem sluipen; ik wil hem niet storen in zijn concentratie. Over zijn schouder probeer ik te lezen wat hij schrijft: De hane moet de kipe eerst op de kop piken, anders kan die gin kuken krigen ... . Ik zie mezelf glimlachen. Het beeld vervaagt. Met Jan sta ik nu op de deel van zijn boerderij. Ik ben blijkbaar op huisbezoek. De varkensstal is leeg. De koeien lopen blijkbaar buiten. Alleen is daar die geweldige en prachtige scharrelhaan. Hij komt parmantig op me toestappen, kop omhoog, staartveren als een gespannen boog. "Goa wat noa achteren Meester; hee dut oe wat. Hee is hier de baas. Hee is de dèèlhane".

Jan zegt het rustig en beslist, dat de deelhaan de baas wil zijn op de deel, die hij als zijn territorium beschouwt.

Ik fiets door ons prachtige landschap langs de boerderijen verspreid tussen het groen. Op verscheidene delen regeert er nog de deelhaan, in letterlijke zin. Je moet hem maar laten begaan. Je kunt hem ook naar het erf jagen! Je maakt je bij hem zo niet geliefd. Hij blijf namelijk een deelhaan, dèèlhane, delhane, dellenhane. Zijn karakter laat zich niet veranderen. Een makkelijke dellenhane is enkeld een dooie dellenhane, en daar heeft een mens niets aan. En wie zou zijn gezang willen missen? Wie zou de zaadresten van de deel moeten pikken? De scharrelkippen rondom de boerderij zouden als een harem zonder meester zijn. De veerkracht is eruit. Geen opgejaag, geen geren meer. Het onderling scharrelen is eraf.

Mijn fiets zet ik op de standaard. Ik loop het erf over naar de deeldeur. Als ik halfweg ben, vliegt de deur open. Een jongen rent weg. Een vrouw verschijnt in de deuropening. "Kwoajonge", roept ze. Dan ziet ze mij. Ze begint te lachen. "Meneer zal mien wè' een dellenhane vin'n, mar ik kan der neet teeg'n as ze 't hoes ingoat zonder zich te melden!" 'Dellenhane' zegt zij. Ze vindt zichzelf een baasspeelster. "Iej mot oewen dell'n toch vrie holl'n van gespuis", zeg ik. "Joa, mar toch, ik hadde eerst wè' vroag'n kön'n wat e wol!" Dan nodigt ze mij binnen.

Ze vraagt niet waarvoor ik kom. En doordat ons gesprek heel anders loopt dan ik gedacht had, vertel ik haar maar niet dat ik wat weten wil over het gebruik van verkleiningsuitgangen in de streektaal rondom Lochem. Neen, we hebben het over 'deelhaan'. Een deelhaan legt zij mij uit, ze komt van Eibergen, is iemand die alle moeite doet de baas te spelen. Zo'n persoon is altijd in verweer. "Hee is weer an 't strieden als nen dellenhane!" Een dellenhane kan dus ook een vrouw zijn: "Da's der ene met de brook an, nen echten dellenhane". "Het woord wordt in minder gunstige zin gebruikt, blijkbaar", constateer ik. Zij beaamt dat. Ik zeg dat het met haar nog niet zo erg is. Ze kijkt me vragend aan. "Nee, nen echten dellenhane wet dat van zichzelf neet".

Als ik verder rijd, denk ik wat na over hane. Hoe zit dat ook al weer? Hane heeft iets te maken met zingen. Het is familie van het Latijnse canere, dat zingen betekent. Zo is het ook verwant aan het Franse chanter. Hano, vermoedelijk al uitgesproken als hane, is Oudsaksisch. Dan val ik haast van de fiets van het lachen. Toen die vrouw van straks zichzelf een deelhaan vond, had ik moeten zeggen: "En zingen kui'j ook al neet!" Maar of dat in goede aarde gevallen zou zijn? Misschien als zij weten zou, dat de hane 'de zingende' betekent. Maar dat zal wel niet. In ieder geval weet ik nu wat een dellenhane is, letterlijk en figuurlijk.