Dauwtrappen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Tot Espelo, tussen Nieuw-Heeten en Holten, liep ik als opgeschoten jongen met mijn vriend. Dat was in de dertiger jaren van deze eeuw heel gewoon voor een Deventer jongen, tenminste op Hemelvaartsdag, want dan ging je dauwtrappen.

's Morgens om een uur of vijf, zes was je al onderweg. Als ik de avond voor Hemelvaart aan mijn vader vroeg of hij meeging, zei hij ieder jaar hetzelfde: "Nee, ik goa dauwtrappen in bedde; möör goat ulie oew gang möör". Moeder reageerde anders: "De morgenstond hef gold in de mond. Iej mot verder mar rèkenen dat oew vader dat het hele jöör al zeg', want dee mot as handelsreiziger in de wèke altied al veur zes uur op um den eersten trein te halen. Dee is blie as e is wat langeder kan blieven liggen".

Met een "pak brootramm'n, dee ik oe wel èffekes zal smeer'n" ging ik op weg, de rugzak 'an de scholders'. Mijn vriend woonde vlakbij ons. Hij nam nooit iets mee, want dat hinderde in het lopen, maar dat doet er verder niet toe.

Onderweg kwamen we weinig mensen tegen en nog minder dauw. Dauw hoort op zo'n vroege morgen over de velden te hangen, want daar moet je door kunnen waden of trappen, al naar gelang de behoefte aan een langzaam of snel wandeltempo. Nooit heb ik door de Nedersaksische dauw mogen wandelen op Hemelvaartsdag. Dat vind ik nu, nu ik weet dat DOU in het Oudsaksisch al voorkomt en waterdamp betekent, dubbel jammer; een taalkundige herinnering aan dauwtrappen ontbreekt me immers.

De oorspronkelijk betekenis van DOU is verloren gegaan: het snel lopen van vloeistoffen. De stam van dit woord komt al in het Oudindisch voor. Ja, toen dauwde het ook al. In gedachten zie ik de natuur uit de oertijden voor me. Een ongerept ochtendlandschap "met een golden zunne dee opgeet boaven de Holterberg; in de märgendauw glinstert de bomen en struken en de nevel slingert zich um een stroalende règenboage." Ik zie een blauwige regenworm, een 'dauwpiere', boven de losse grond uitkomen en zijn kopje ten hemel draaien, als wil hij de nieuwe dag indrinken als dauw. Ik denk aan Herman Gorters 'MEI', en ik begrijp wat de bron van zijn inspiratie is: een nieuw leven.

Lyrische gedachten aan een blijde jeugd, waarin ook Espelo een plaatsje had: rusten en "wie zult de laatste broot'ramm'n is nöör binn'n werk'n". "Loa' we mar op 't hekke van de skole goan zitt'n; 't grös is nog zeiknät". Naar omhoog kijken om de zon te zoeken achter een dicht wolkendek. Weten dat Vader nu, om een uur of acht, ook al op is. In gedachten Moeder horen vragen als ieder jaar: "Wo'j nog nöör de kerreke?" en het antwoord kennen, ook als ieder jaar: "Nee, as de zunne de nog deur kump, kui'j bèter in de tempel van ongekörreven holt zitt'n". Moeder weet het antwoord al, als zij de vraag stelt. Vader vindt één keer naar de kerk gaan, op zondag, genoeg. De tempel van niet bewerkt hout, de natuur, is ook een godsruimte.

Het brood is op; mijn vriend en ik slenteren terug. We struinen door bossen, kijken in weteringen en beken naar jong leven, praten geleerd over ijzeroer, dat hier langs de Oerdijk gewonnen werd voor de ijzergieterij van Nering-Bögel in Dèventer. Het water van de beek stroomt ondertussen met behoorlijke snelheid langs rood-bruin met gele oerleem. Wij zitten op onze hurken op de wal. De zon schijnt plotseling en het wordt toch nog heel mooi.

Dit alles gaat als in een flits aan me voorbij ... . 'Tooeeeet ... toeeeet ... .' Ik zit bijna onder een auto, als ik afsla naar de Holterberg; op tijd gooi ik het stuur om. Geschrokken stap ik af. "Hhhhhhhuuuh". Een diepe zucht ..., domweg gelukkig ...!