Dakhaze

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Met de fiets aan de hand loop ik om de 'Hengforder skole' heen. Bij de grote deuren zet ik mijn fiets op de standaard. Alles zit dicht. Blijkbaar wordt er vandaag aan de verbouwing tot woonhuis niet gewerkt. Ik hoop dat de bewoners thuis zijn, want ik wil toch wel graag weten of tegen juli 1998 de verbouwing gereed is. Dan komt een dochter des huizes met een aangelijnde hond de hoek om, om een zijdeur in te gaan. Ze herkent me niet dadelijk als de meester die vijftig jaar geleden nog de overgang van aprilschool tot augustusschool meegemaakt heeft. Dat kan nauwelijks anders, want het is zeker een half jaar geleden dat Ali en ik hier langs gewandeld zijn. De verbouwing van school tot paleisje, om een in deze tijd passende beeldspraak te gebruiken, was toen net goed op gang.

Ik vraag het meisje of haar ouders thuis zijn, vertel haar dat ik de meester ben van voor vijftig jaar, en zij zegt: "O ja", en herkent mij alsnog. Ze laat me binnen. Mevrouw staat in de keuken, geïmproviseerde werkruimte, te werken. Ze moet ook even goed kijken voor ze die oudere heer herkent. Dan begint ons gesprek, terwijl haar man van de metalen wenteltrap van de zolder afdaalt. Ik vraag of hun paleis omstreeks de verjaardag van Prins Bernhard klaar zal zijn, met het oog op mijn werk als schrijver. Zij lachen beide, ik weet niet of het om de vergelijking met het Koninklijk Huis is of om het feit dat zij denken dat de verbouwing nog minstens een jaar in beslag zal nemen.

Ik stel brutaal de vraag watvoor werk mevrouw doet. Zij blijkt een functie te hebben in de zorg voor verstandelijk gehandicapten. Ik ben verrast, want zelf ben ik immers al bijna veertig jaar curator over Hans Smit, die op de locatie Schaarsbergen van 's Koonings Jaght woont, al achtentwintig jaar. Die gedachte wekt ook meteen associaties met dit schooltje op, waar vijftig jaar geleden alle kindertjes uit Hengforden onderwijs kregen, ongeacht lichamelijke of verstandelijke handicaps. Ik had bijvoorbeeld meisjes en jongens in de klas, die vandaag speciaal onderwijs zouden moeten genieten en die bij ons 'mee' konden. Eén jongen was bijna blind. Voor hem maakten we speciale schrijfschriften. Wat zijn ogen tekort kwamen, werd door zijn intelligentie vergoed.

Ik herinner me plotseling de 'dakhaze'. Een van de minder begaafde jongetjes keek die morgen, zo'n halve eeuw geleden, met ons allen naar het dak van de school. Boven op de nok van het pannendak lag een grijze kat, heerlijk in het zomerzonnetje. Zij of hij waste zich. Het jongetje stond naast me. "Meester", zei hij, "Dat is noe een echte dakhaze!" De kinderen hadden het allemaal gehoord. Ze kenden het woord, wisten dat het een spotnaam was voor de kat, maar ook ... voor mensen die op een dak aan het werk waren. Natuurlijk heeft die jongen niet geweten dat 'haas' inderdaad met 'grijs' te maken heeft. Het Oudnoorse 'hoss' betekent grijsbruin, het Oudengelse 'hasu' is grijs. In het Oudfries is een 'hasa' een haas.

Ik herinner me dat ik daarna een les gaf over de haas en de fret, en dat ik een grijsbruine tekening daarvan op het bord maakte. Het bleek dat enkele kinderen zelfs het begrip 'zandhaze' kenden, want hun vaders waren bij de infanterie geweest. Over 'angsthazen' en 'bange wezels' heb ik maar niet gepraat.

"U zult het wel vreemd vinden in dit verband, maar ik wou over de 'dakhaze' wat vertellen in de krant", zeg ik. Mevrouw kijkt me bevreemd, mijnheer verwonderd aan. Ik leg even heel kort het gebeurde van de kat op dak uit. Ik vertel ook dat in Twente een eekhoorn 'kat-eek-er' genoemd wordt. Dan neem ik afscheid.