Daken

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

De oorsprong of afkomst van woorden te verklaren, is zeer moeilijk. Je moet altijd heel voorzichtig zijn, al heb je nog zoveel gegevens uit allerlei vakliteratuur verzameld. Wie over woordgeschiedenis vertelt, zal vaak de terminologie moeten bezigen, die bij terughoudendheid past, zoals "ik meen" of "ik denk".

Dit overweeg ik nog eens weer, als ik over Eefde, Warnsveld, Vorden, Ruurlo, Zieuwent naar Lichtenvoorde 'vaar', met de auto. Zutphen heb ik rechts laten liggen. Bij die naam denk ik altijd aan een veen in het zuiden, want mij is altijd verklaard dat Zutphen ontstaan is uit Zuutvenne. Dat zal dus wel waar zijn. Die verklaring past heel goed bij Vorden, een voorde door het moerassige land; ook bij Ruurlo of beter nog Reurle, dat de Saksische uitspraak beter weergeeft. Reur is dan Roor, Rohr, Roer, wat zou aangeven dat Reurle een bos in het drassige land was, waar veel pijpgewassen als riet, biezen, vlier groeiden. Volgens mezelf is Zieuwent ook een plaatsnaam, die veel te maken heeft met veen en drassige, onbegaanbare gebieden. Als ik namelijk van het Ruurlose kasteel over de weg naar Zieuwent rijd, waan ik me op een zuwe, dat is een pad door drassig land. Ik weet dat het woord van suren, suweren komt, wat afwateren betekent. Het komt uit het Latijnse sugare, wat zuigen is. Ik 'vare' dus langs een oud looppad naar het 'ent' van een 'zuwe', ofwel naar het begin of het eind van een pad. En deze verklaring lijkt helemaal te kloppen, want ent komt van anta, dat voor betekent, maar ook van anti, dat tegen beduidt. Ent laat mooi in het midden of het het begin of het eind aangeeft. Bovendien noemt de mens uit Zieuwent deze plaats "Zuwent". Ik heb dat weleens gespeld gezien als "Zuwwent". Als ik over de drempels in Zieuwent hobbel, begint het "te daken" of "te doaken", zoals ze in de Middeleeuwen zeiden, als ze over de slingerende zuwe naar Lichtenvoorde liepen, de droge plek, waar ze in de "dook" of "doak" wel even mis konden lopen. Voor Zieuwent mocht het niet schemerig mistig worden, want voor je het wist zat je in het water. En dan ... .

"Kuijk", zeg ik nu tegen mezelf, "je fantaseert, je ben een daker of doakert, een domkop, die het in de bovenkamer schemert. In de eerste plaats ben je het met jezelf eens dat een mens vaak enkel maar kan denken of menen, dat zaken op een bepaalde manier in elkaar zitten, en jij rijdt door de mooie Achterhoek alsof je de wijsheid in pacht hebt".

Ik weet dat mijn engelbewaarder gelijk heeft. Ik kan bijvoorbeeld denken, dat in het Engelse "Keep them in de dark", "Laat hen maar onwetend", dark hetzelfde woord is als het niet meer gebruikte doa(r)k, maar dan hoeft dat helemaal niet zo te zijn, want de oude Indogermaanse stammen van deze woorden kunnen wel verschillend zijn, en die stammen kennen we alleen uit reconstructie. Ik zal moeten proberen bij belangstellenden niet de zoetekoektheorie toe te passen, maar de goedezoekmethode. Bovendien zal dan blijken of ik de eerste ben die zo over Zieuwent praat; ik weet wel zeker dat dat niet zo is.

Waar ik trouwens wel benieuwd naar ben, is of er nog Nedersaksisch-sprekenden zijn, die doaken, doak, doaker of doakert nog gebruiken. Ik betwijfel het. Natuurlijk heb ik al veel mensen gevraagd of zij een van die woorden of een afgeleide ervan kenden. Een kennis kende dö(r)ken, met een korte klinker, wat volgens hem langzaam en schuifelend lopen betekent. Maar of dat er wat mee te maken heeft? Het is een onderzoek waard.

Ik ben ondertussen in de Raadhuisstraat in Lichtenvoorde. Daar moet ik zijn. Wat schrijven over 'daken' zou niet gek zijn.