Builtje

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

"Riest zit tegeswoordig vake in koakbuultjes", zei een man in de supermarkt tegen zijn vrouw; en die opmerking bracht mij op een haha-gedachte, zo'n gedachte van "Nou heb ik beet!"

Bij de voorbereiding van het stukje 'Bluisterig' was ik het Franse woord 'bluter' tegengekomen. Dat betekent 'builen (van meel)', dus 'zakken vullen'. In gedachten liet ik de -uu- en de -l- wisselen van plaats: bluter werd buulter. En dat komt toch wel heel dicht bij 'buultjes'. Als 'bluter' en 'buultje' familie van elkaar waren, hoe stak dat dan in elkaar?

Bij een buurman zocht ik hulp; hij is leraar Frans en hij zou mij zeker voort kunnen helpen. Hij deed een grondig onderzoek en kwam mij op een dag verslag doen. Hij had op een kladje de volgende aantekeningen gemaakt: bluter - 12de/13de eeuw - tamis -beluter - buroter (buidelen) - buitelen. Een tamis is een zeef, waardoor het meel gezeefd wordt voor het wordt 'gebuideld' of 'gebuild'. Het woord 'buidelen' of 'buitelen', in de Middeleeuwen uitgesproken als 'butelen', is in de twaalfde of dertiende eeuw uit het Middelnederlands in het Frans terecht gekomen, waarschijnlijk door het handelsverkeer in granen en door de nijverheid die daarmee verband hield. Aanvankelijk werd het als 'beluter' en 'buroter' in het Frans gespeld. Naar het uitspreken als 'bluutee' is dus maar een kleine stap.

Ik begon ook een verwantschap te vermoeden met 'bult' en 'buil' en ik dook in mijn boeken. Een buil of een bult was in het Oudsaksisch een 'bula'. De grondbetekenis bleek zwellen te zijn. Woorden als 'puilen', 'puist', 'buidel', 'boos' zijn verwant aan 'bula'. Een buidel of een zak wordt in veel Nedersaksische dialecten een 'buul' of een 'bule' genoemd. Het Oudsaksische 'budila' is een buidel. Naar 'bluisterig' is vanuit deze vormen geen al te grote stap. Wie een 'bluusterige boek' hef , 'hef een bult in de boek'.

Een builtje rijst, tarwemeel in een buil. Het doet me denken aan de kruidenierswinkels in de buurt waar ik woonde. "Een pond suker graag". En de suiker werd op de weegschaal afgewogen. Onze kruidenier woog zijn duim niet mee. "De suker zit in een stevige bule", zei Withagen, "dee tegen een steutjen kan".

Dat was maar goed ook. 'De bule met riest kon zeker neet tegen een steutjen', want bij het stoeien onderweg met mijn broer viel de boodschappentas en de rijstkorrels rolden tussen en over de straatklinkers. Met de handen schepten we de rijst weer in de bule, maar het gat was te groot. Weg rijst. Tot onze verbazing begon Moeder te lachen: "Noe is het een klein windbuultjen", zei ze, toen we daar met de lege zak in de handen stonden, "as iejluu dat möör nooit wordt!" Waarschuwend hief zij daarbij de vinger op. "Vroag möör an Withagen of hee het in een puntbule dut, dee bärst neet zoo gauw lös.

Wij liepen opnieuw naar de Hoogestraat. Daar genoten we van de reactie van Withagen: "Nou, dee riest is gauw op'ewest. Möör ja, iejluu bint ook met zoovölle." En hij gaf ons een knipoog. Zijn laatste woorden waren trouwens profetisch: "Dee dunne papieren bulen bint neet stärk genog. Döör kump nog is wat bèteders veur in de plaatse, rekböörder en dus makkelijker." Het was in 1938, toen hij dat zei. En hij heeft gelijk gekregen; De papieren bule is vervangen door die van plastic, maar . . . wat Withagen niet weten kon, is, dat we anno 1995 op de weg terug zouden zijn naar het milieuvriendelijke papieren builtje. Zestig jaar geleden kenden we wel de taalgeschiedenis van het builtje, maar niet de toekomst van dat stukje verpakkingsmateriaal. En dat stemt mij prettig. Iedere nieuwe dag heeft zijn eigen zaken in het builtje.