Bromtroetse

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

"Hoeveel woorden ik ken, mevrouw, weet ik niet, en dat vind ik ook helemaal niet belangrijk om te weten. Maar woorden, die ik niet ken, die ik dus nooit eerder gehoord heb, te leren kennen, dat vind ik een voornaam ding. Zo belde mij ruim een jaar geleden iemand op met de vraag: "Gerrit, ken iej het woord 'bromtroetse'? Ik wazze op een verjoorsdag en döör wördden dat gebruukt". Mevrouw, ik ken het woord 'brommen', ik weet dat dat klanknabootsend gevormd is. Ik ken het woord 'troet'. Zo noemde ik als kind weleens de kleverige meelpap, karnemelkse pap bijvoorbeeld. Ik weet dat 'troet' hetzelfde is als 'trut'. Voor de betekenis van dat laatste woord ga ik nu Van Dale citeren. Dan zijn die woorden niet voor mijn rekening. Van Dale: Vergelijk trot (week) en prut, klanknabootsend voor het doffe geluid van kokende pap, 1. gewestelijk: weke, brijachtige massa; 2. gewestelijk: hap, slok; 3. vulgair: vrouwelijk schaamdeel, synoniem met kut; 4. Bargoens scheldwoord: onbenullige vrouw; 5. gewestelijk: vrouw die niet opschiet met haar werk; 6. onbetekenende, (erotisch) onaantrekkelijke, stijve of zeurderige vrouw (ook wel als goedmoedig invectief*): trut van Troje; trut van Hamburg; trut met vingers. Tot zover Van Dale. Het sterretje bij invectief heb ik gezet, mevrouw, dan kan ik even uitleggen wat dat woord betekent. Een invectief is een scheldwoord. 'Trut' is dus een scheldwoord. Een troetse moet hetzelfde zijn als een trut. 'Troetse' moet dus 'vrouw'zijn, maar geen gewone, lieve, mooie, assertieve, en ga-zo-maar-door verschijning, maar een, die aan de zes betekenissen van Van Dale voldoet. En wat moet een bromtroetse dan wel zijn? Juist, Zo'n zesdelige vrouw, die nog moppert ook. Ik antwoordde de vragensteller dus het volgende: "Ik kenne het woord 'bromtroetse' neet, möör ik kan oe wel vertellen wat het betekenen mot, as het besteet. En as iej het noe veur de eerste keer neumt en het bedacht hebt um een geintjen met mien uut te halen, dan kan ik oe wel vertellen, da'j een mooi scheldwoord bedacht hebt veur dee vrouwen dee altied op man en kinder loopt te mopperen, möör let wel, een lellijk scheldwoord". Ik zei verder, mevrouw, dat ik er in mijn dagbladrubriek niet over schrijven zou, voor ik een klein onderzoek naar het gebruik van 'bromtroetse' ingesteld had.

Dat onderzoek is na ruim een jaar nog steeds niet voltooid, want ik ben nog nooit een dialectspreker tegengekomen, die het kende, gebruikt had, gebruikte, of had horen gebruiken. De man die mij het bestaan van het woord gemeld heeft en zijn zegsmens laat ik buiten beschouwing, want ik denk nog steeds aan een grapje om de "deskundige" erin te laten lopen.

Nu schrijf ik U erover, mevrouw, niet enkel om aan te geven, dat ik één woord dat ik niet ken vaak belangrijker vind dan de honderden die ik wel ken, maar ook om U de gelegenheid te geven mee te doen met mijn onderzoekje. Gaat U in het Groningse, het Drentse, het Overijsselse, het Gelderse of in het X-se eens luisteren of U het scheldwoord, het invectief 'bromtroetse' hoort. Vraag kennissen en vrienden dat ook te doen. Ik hoop, mevrouw, dat ik binnenkort mijn hoofd van schaamte buigen moet, omdat ik 'bromtroetse' nog niet kende. Neen, toch niet, misschien mag ik er trots op zijn, dat ik tegen mijn eigen moeder nooit heb leren zeggen: "Hold noe toch is op met oew gezeur, bromtroetse!" Die trots heb ik dan ten opzichte van mijn moeder, die niet op ons mopperde, maar andere middelen aanwendde om ons gedrag te beïnvloeden. Het komt inderdaad ook voor dat je de naam krijgt die je verdient. Enfin, mevrouw, ik wacht Uw reactie op mijn brief af. Ik zal hem publiceren."