Broezerig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

'Rampen op Riem'. 'Oaver Teloorgang, Tornado en Tongebloar'. Deur Tinus van het Slyck. Tinus toont zijn toehoorders zijn laatste telg. Hij is dichter en hij heeft een voorkeur voor stafrijmen, "u weet wel die stapstenen waarop u steunt met de stemme". Dat laatste komt van een van zijn toehoorders, want er zijn veel mensen die het begrip alliteratie niet kennen. En dat begrip is hetzelfde als stafrijm. Ik denk onder de uitleg aan 'tornado', die draaiende slurf die zo nu en dan en hier en daar over de Twelse en Deventer dreven trekt, een spoor van vernieling achterlatend. Het Springerplantsoen, het Olde Plantsoen in Deventer weet daar alles van!

Het is een mooi gedichtenbundeltje van 22 bladzijden, dat dichtwerkje over vergane en te vergane glorie van Twello en andere plaatsen in de gemeente Voorst. Overal proberen echte tornado's en door bestuurders opgewekte stormen ruïnes achter te laten. Tinus Ooms legt daar oprecht bedroefd de vinger bij, al hoor ik hem niet letterlijk zeggen: "Het is bedreufd!" De Oudheidkamer heeft niet enkel wat foto's geleverd voor dit bundeltje, zij heeft tevens gezorgd weer een plaatsje te reserveren voor deze aanwinst aan 'monumentjes', want zo mag ik deze gedichtjes wel noemen. De leden van de Dialektkringe Salland en Oost-Veluwe kopen deze zaterdagmorgen graag een exemplaar voor zichzelf en voor anderen.

Leidie van der Veen is voor Radio Drenthe aan het woord. Zij brengt het goede en slechte weer bij ons. Ze heeft het over de herfstige dag met veel wind die over de vlakte en door de bomen jaagt. "Het is broeezerig weer!" roept ze. "Wat zei iej, Leidie?" "Broezerig, dat is bij ons toch heel erg winderig!" roept Leidie. Zij doet net of ze boven de bruisende en loeiende wind uit moet komen. De omroeper begrijpt het. Inderdaad 'broest' met een lang oehoe de wind door de bomen. Dat zie ik als ik naar mijn hoge notenboom kijk die nog steeds zijn groene blad 'vol' houdt. Dat geeft dat wat loeiende geluid. En ik denk aan de tornado die vele jaren geleden over Diepenveen trok. Twee van de drie stammen van mijn boom moesten eraan geloven! De hoogste stam bleef over. En in gedachten ben ik weer even bij Tinus. Hij zou er vast een gedichtje of een riemken op maken. En ik denk aan het inleidende stukje dat ik in februari 1994 voor de krant schreef als inleiding op mijn rubriek 'Vertaald'. Ik legde toen uit als eekhoorn in mijn notenboom, hoe ik naar de wortels van de taal weerom ging. Wat ik precies schreef, weet ik niet meer, maar wat ik wou en wil, weet ik nog goed: mijn taal, het Nedersaksisch, bij mijn lezers brengen. En de stukjes broesden eruit, als de gedichten uit Tinus van het Slyck, wat wil je ook! Slieken of slikken zijn vruchtbare gronden, daar willen de gewassen wel uit bruisen.

Nu ben ik bezig nummer 399 te schrijven, nummer 400 is de laatste. Ik ben niet uitgestormd, niet uut-ebroest, sliek is er nog genoeg, ik heb nog steeds stof genoeg om in het sliek op te laten bruisen. Maar ik wil gewoon stoppen. Ik kondig het maar vast aan, zo dat sommigen zeggen kunnen . "Eindelijk!" En velen. "Wat jammer nou!"

Bruisen, in de betekenis van borrelen, schuimen, stormen, soms gisten, komt in het Nedersaksisch voor als 'broesen' of 'broezen'. In het Middelduits vinden we het al, tevens in het Middelnederlands. Een 'broes' is in het Plat een sproeikop van een gieter. Echt broezerig weer is het, als de regenvlagen met de wind door de natuur razen. En dat laatste 'razen' vind ik nou het meest juiste woord om 'broezen' te duiden. Mij broest het nu enigszins in mijn kop, trouwe lezers weten waarom. Maar ja, ik doe het mezelf aan! Ik ben zelf aan dit dikke boek over onze taal begonnen, ik moet er ook zelf een einde aan maken. Ik ben blij dat het een slot aan dit 'taalboek' is. Tot nummer 400!