Klepperd

> Categorie: Columns Gepubliceerd: vrijdag 17 oktober 2014

Uut mien bokenkaste pakke ik “ANWB – Vogelgids van Europa” en ik zeuke in het register nöör ‘klapekster’. Ik hebbe oaver diee vogel namelijk op zundagmärn de twalefden oktober tweeduzend veertiene Koos van Zomeren in Vroege vogels” van de VARA heuren vertellen. Hee gaf ene verklöring van het gedeelte ‘klap-‘, allewel der völle meer verklöringen bint. Hee neumden enkeld het ‘klappen’ of schreeuwend klepperend ‘proaten’ met een enorme snelheid, wat diee vogel dut.

Op bladzieje 328 en 329 van mien vogelbook vinde ik vier soorten klapeksters in woorden en ofbeeldingen: klapekster, kleine klapekster, zuidelijke klapekster, steppeklapekster. Twee van diee namen vertelt mien precies wöör ze in Europa veurkomt en ene name gef het formoat an. Het geluud van de verschillende soorten verschilt weinig, allewel ze één ding gemeen hebt: ze schreeuwt vake verschrikkelijk. Op de vroage of ‘klap-‘ meer betekenissen hef in dit geval, kan ik meschiens antwoord geven.

Een druk proatende jonge, diee zich döörbie oke nog snel van de enen nöör den anderen op de klompen, want diee droegen wiej vrogger buten an den Iesselt, ‘kleppend’ repten, neumden wiej een ‘klepperd’, wat echt as een scheldname beschouwd wier. Zon klepperd is de klapekster oke. Trouwens, zien bek of snavel is ook nieet meer of minder as een kleppe diee lös en dichte kan. Met diee scherpe klappe of kleppe kan e as echte rover verschrikkelijk te keer goan. De mensenmond is oke nieet meer as een kleppe, de onderkake, diee op en neer bewoagen worden kan deur schärnieren ten opzichte van de boavenkake. Koos verzuumden dit te vertellen, reden wöörumme ik dat noe allemoale doo.

Van Dale gef veur ‘klepper’, in het Dèventers oke ‘klepperd’, de volgende betekenissen: 1- iets waardoor of waarmee men een kleppend geluid maakt: melaatsen moesten vroeger met een klepper hun komst aankondigen; (in ’t bijz.) elk van de twee houtjes die men tussen de vingers snel op elkaar laat slaan om daarmee een klepperend geluid te maken, syn. klaphoutje,klapper: een paar eiken kleppers; - houten sandaal; 2 (fig.) mond; - tong; - babbelaar; 3 klapperman, nachtwacht; 4 [naar het hoefgeklepper] rijpaard, tgov. werkpaard, trekpaard: dat is de beste klepper van zijn stal; - (lit. t.) paard in ’t alg., syn. ros. 5 (gew.) kerel; - iem. die of iets dat buitengewoon is in zijn soort, syn. kanjer: dat zijn kleppers van appelen; Jan is een klepper.

Een jonge of keerl diee altied veuran steet met zien grote kleppe of klepperd en altied mee wil proaten wier oke wel een ‘kletslulder’ eneumd in Dèventer. ‘Kletsmeier’ wier en wördt nog heel vake gebruukt. ‘Lulleman’ was veur zon keerl ook een heel gebrukelijk woord. In werkelijkheid is de lulleman de spuitgast diee de lul bedieent an het uutende van de brandslange, möör diee name is wel in onbruuk eraakt.

‘Kleppermansspul’ of ‘kleppermansgrei’ was gereedschap of spöllegoed van heel slechte kwaliteit wat nieet met vakmanschap emaakt was. Het verband met ‘klepperman’ was mien as jonge in de dertiger jören al dudelijk. Toen liep nog veur de vuulniswagen de klepperman. Hee rötelden al deurlopend de vuulniskärre veuruutgoand met zien grote klepper, een stelle met een blad van holten ribbels diee langes een soort kleppel klepperden; rrrrrrrrrrrt … rrrrrrrrrrrt …. rrrrrrrrrrrrrt… .

Zon vuulnisman deej volledig ongeschoold werk toen. Möör …. hee droeg de gemeentepette en was gemeente-ambtenaer. Een handwerk had e nieet eleerd, allewel … . Mien vader gebruukten een enkele keer het woord ‘kleppermanswerk’. Azze wiej op onze maniere een vlieeger in mekäre efocheld hadden, kon e zeggen: “Wat een kleppermanswerk! Loat mien oe möör èven helpen!” Zien vlieegers wazzen vakwerk.

Een klepperman kui’j trouwens met recht een ‘klepperd’ neumen, want hee rötelt as een klapekster. Dat mui’j an iederene verklappen.