****Aandacht aan dichten 7 - Eufemisme

> Categorie: Columns Gepubliceerd: dinsdag 01 april 2014


 

7 Eufemisme

 

Woorden in verzen moeten glanzen, glinsteren, schitteren, lichten, als het firmament waaronder ze te horen zijn. En dat moet dan komen door de klinkers die van helder hoog en licht tot sonoor en donker hun werk moeten doen. Het schrijven en dus ook het spreken van goede woorden in een gedicht is iets anders volgens mij. Dat toont dat de dichter of dichteres nauw betrokken is bij de persoon, het ding, het thema dat in het vers aan de orde is. Een goede verzenschepper vind ik diegene die niet kwetst, maar heelt en de ‘luisteraars’ licht brengt. Dat ligt immers in ‘luister’ opgesloten.

Een bijzonder gegeven is in dit verband het ‘eufemisme’. Letterlijk betekent het woord ‘euphèmia’ ‘goede, geluk voorspellende woorden’. Het woord komt uit het oude Grieks: ‘eu’ is ‘goed’ en ‘phèmè’ is ‘mededeling’. Een van de gebroeders Grimm noemt zo’n goed woord een ‘Glimpfwort’, een ‘glanswoord’ dus. Guido Gezelle zegt het wat minder mooi: ‘mijdspreuke’. Dat laatste woord wil zeggen dat minder goede woorden vermeden worden.

Over ‘eufemisme’ is een hele theorie opgebouwd waar ik het niet helemaal mee ens ben, maar ik wil die toch bespreken.

Het gebruiken van eufemismen zou wortelen in bijgeloof. Bepaalde namen zouden niet genoemd mogen worden, omdat die ‘persoon’ dan onheil over de mensen zou gaan brengen: men riep als het ware het kwaad over zich af. God werd dus aangeduid met de naam ‘Heer’, ‘Vader’. Jezus werd ‘Meester’. Duivel kreeg de naam ‘Boze’, ‘Droes’. Dood werd gepersonifieerd tot ‘De Rechtvaardige’, ‘Hein met de zeis’. Doodgaan werd ‘overlijden’, ‘sterven’, ‘de laatste adem uitblazen’. Deze eufemismen werden aangeduid met een Franse uitdrukking: ‘euphémisme de superstition’, ‘verzachtende uitdrukking uit bijgeloof’. De tweede soort die onderscheiden wordt is ‘euphémisme de décence’, ‘verzachtende uitdrukking uit fatsoen’: ‘kont’ wordt ‘achterwerk’, ‘derrière’, ‘bips’, ‘kadetjes’; ‘stront’ wordt ‘grote boodschap’, ‘bolus’, ‘bout zonder draad’, ‘bruine weesjongen’; ‘plee’ wordt ‘plaats waar zelfs de keizer te voet gaat’, ‘kamertje 100’, ‘achter het hartje’, ‘de doos’.

Bij de derde soort wordt vaak gebruik gemaakt van de ‘litotes’, een retorische figuur die de zaken minder erg maakt, verzacht. Het woord komt van ‘lis’, dat ‘glad’ betekent. ‘Litotes’ is feitelijk een verkleining, waarbij het tegengestelde ontkend wordt van wat bedoeld is. We spreken dan van ‘euphémisme de politesse’ of ‘verzachtende uitdrukking uit beleefdheid’.

Voorbeelden: ‘Wat ben je smerig opgemaakt’ – ‘Je make-up maakt je wat minder mooi’; ‘Dit werk is slecht!’ – ‘Dit werk is niet goed te noemen’; ‘Je slaat de plank finaal mis!’ – ‘Dat antwoord was niet helemaal juist’.

Ik geef wat aanwijzingen voor het maken van verzachtende uitdrukkingen:

het gebruiken van afkortingen: Ik heb de p… in; Hij heeft t.b.c.;

het gebruik van vreemde woorden: Ik ga naar het toilet; Hij heeft vasculitis;

het gebruik van ‘litotes’: Je wordt niet helemaal beter;

de omschrijving: de plaats waar je rug van naam verandert;

woordverminking: gatsamme, nondeju, jasses;

voorwaardelijke wijs: wel goed gedaan, ware het niet dat de spelling niet helemaal juist is.

 

Ik moet eerlijk bekennen dat ik in mijn taalleven veel heb aan deze wetenschap over klank- en woordgebruik, vooral bij dichten. Wil jij bij je dichtwerk ‘speels’ en ‘soepel’ te werk gaan, dan moet je oefenen en nog eens oefenen. Dat betekent dat je over dichten niet moet denken, maar dat je het moet doen. Aandacht aan dichten schenken doet de dichter denken! Ga er maar voor zitten. Soms zit het mee en heel vaak tegen. Succes!