****Aandacht aan dichten 6 - Naamsverwisseling

> Categorie: Columns Gepubliceerd: vrijdag 14 maart 2014


6 Naamsverwisseling

 

Als ik vertel, kies ik vaak een gebeurtenis die inderdaad plaatsgevonden heeft. De personen die in het verhaal voorkomen, geef ik dan meestal een andere naam. Soms doe ik dat heel willekeurig, maar heel vaak kies ik een naam op grond van bepaalde lichamelijke of geestelijke eigenschappen die een persoon heeft. Enkele voorbeelden: Piet de Rode, Janneke Slim, Harald Knackworst, Peter de Lange. In gedichten maak ik overigens weinig gebruik van dit fenomeen, want dan ‘doe’ ik het juist om de persoon. Zo heb ik pas nog een gedicht geschreven voor mijn reeds lang overleden zeer gewaardeerde wiskundedocent Doctor Ubbo Johannes Knottnerus. Daarin heb ik enkel een ‘letterkeer’ of ‘anagram’ gebruikt door hem ‘Kunsttoren’ te noemen, want hij was een ‘bastion’ of  ‘toren’ voor de ‘wiskunst’, die voor hem en voor mij vol poëzie was en is. Hij is later niet voor niets hoogleraar geworden aan de TU in Enschede.

Feitelijk stoelt elke metonymia op associatie. Ik wil een eerste indeling daarop maken: plaats, tijd en oorsprong, ook wel ‘oorzaak’ genoemd. De voorbeelden spreken voor zich: Metonymia van plaats: ‘tuin, tuun, toen’ betekende vroeger omheining; nu betekent het meestal de grond binnen die omheining; wij drinken ‘een glas’ – bedoeld is wat in het glas zit; de ‘zaal’ daverde van de lach; hij wandelt op ‘de gracht’; het windje wiegt ‘de akker’.

Metonymia van tijd: De muizen hebben mijn halve ‘sinterklaas’ (koek uit de tijd rondom de Sint Nicolaasviering) opgegeten; Hij dronk zijn ‘half-elfje’ (kopje koffie); een ‘after-dinner’ opsteken (sigaartje na etenstijd); Naar school nam ik altijd mijn ‘twaalfuurtje’ mee (middagboterham).

Metonymia van oorsprong: Ik lees nog steeds ‘Kloos’; Op het geweer zat nog één ‘schot’; Je mag geen ‘vuile vingers’ op boeken maken; Ik zou maar ‘licht’ meenemen.

Hier volgen nog twee bijzondere metonymia: de (1) ‘pars pro toto’ of  ‘deel-voor-geheel-constructie’ en de (2) ‘totem pro parte’ of  ‘geheel-voor-deel-constructie’. (1) De vloot is met ‘vijfduizend koppen’ bemand; Dat is een ‘doek’ van Rembrandt; Er voer een vloot van ‘twintig zeilen’; Alle ‘hens’ aan dek! De ‘kiel’ is gestrand. (2) Het ‘hele dorp’ liep uit; De ‘molen’ draait; Mijn ‘fiets’ is lek; ‘Nederland’ verloor met 1-0 van ‘Duitsland’; De ‘achterste bank’ let niet op; De ‘hele klas’ zit weer te slapen.

 

In proza en poëzie bewust naamsverwisseling toepassen werkt vooral op hoorders meestal heel doordringend. Het kan ook heel humoristisch werken. Ik denk nu niet aan de voorbeelden die ik hier genoemd heb, want die zijn allemaal min of meer versleten: ze zijn als normaal taalgebruik in de omgangsspraak opgenomen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik wat vindingrijkheid betreft zelf schromelijk tekortschiet: de hier genoemde voorbeelden zijn dan ook geen van alle origineel.

In dit verband wijs ik op enkele heel bijzondere naamsverwisselingen die ik gevonden heb onder het begrip ‘hendiadys’. Hierin wordt met twee begrippen één begrip aan geduid: ‘hendiadys’ betekent ‘één door twee’. Uit ‘De Scheper’ van Jacques Perk komt  ‘… langs bloem en purper razen …’. Met bloem en purper wordt de bloeiende heide aangeduid. ‘... door bos en groen …’. Dat is de zomerse natuur. ‘Rozen en doornen’: een rosarium.

Ook de perifrase of omschrijving is een gewilde stijlfiguur. Ik denk aan God, die dikwijls als ‘de allerbeste Vader’ wordt omschreven. ‘Wie honing lazen’ komt uit ‘De Scheper’. Dat zijn bijen. De kameel wordt vaak ‘het schip der woestijn’ genoemd. Een kudde rendieren heb ik eens omschreven gezien als ‘het wandelende woud’. Iedereen kent Kanaän als ‘het land van melk en honing’. En Vondel is nog altijd ‘de Prins onzer dichters’. Japan blijft ‘het land van de rijzende zon’. Wat is dichten toch mooi!