****Aandacht aan dichten 3 - Rijmverbindingen

> Categorie: Columns Gepubliceerd: vrijdag 14 februari 2014


Rijmverbindingen

 

Iedereen kan bij het maken van een vers een eigen rijmschema volgen. Dat kan een onregelmatig schema zijn, maar er zijn dichters die wat rijmen betreft zich houden aan een strak schema. Ikzelf zoek altijd naar een structuur die past bij mijn thema en motief.

Ik begin met een voorbeeld van ‘gebroken rijm’. Bij deze verbinding rijmen niet alle versregels. Een heel mooi voorbeeld vind ik zelf  “Een vers dat als een nachtkaars uitgaat” van E. Laurillard: ‘1. In een diligence zaten / negen mensen bij elkaar – ’t Was een dag van grote hette / En de lucht was drukkend zwaar / 2. Alles wat die mensen zeiden / kwam zowat op ’t zelfde neer / Niemand hunner sprak tenminste / anders dan van ’t hete weer / … Ik ken dit hele gedicht uit mijn hoofd, maar herinner me de spelling en de interpunctie niet meer, maar daar gaat het ook niet om. In dit vertellende gedicht blijft Laurillard heel strak het gebroken rijm gebruiken: a-b-c-b. Bovendien moet ik je nog een bekentenis doen. Bijna alles van wat ik in dit verband schrijf is gestolen of van dichters of uit ‘Woordkunst’ van Van Wamelen of van anderen. Ik leef om zo te zeggen van plagiaat, ik pleeg het voortdurend, ook al haal ik alles nu uit mijn eigen brein, want ik heb een geheugen als een ijzeren pot.

Uit een gedicht van Staring het volgende: Uit ‘Herdenking’ - ‘Wij schuilden onder dropp’lend lover / gedoken aan de plas / De zwaluw glipte ’t weivlak over / en speeld’ om ’t zilv’ren gras …’. ‘Gekruist rijm’ wordt dit terecht genoemd: a-b-a-b.

‘Gepaard rijm’ vind je bijvoorbeeld in het mooie gedicht ‘Een lied van de zee’ van Hélène Swarth: a-a-b-b – ‘Flauw flikkert een lampje in de vissershut / Oud moedertje zit bij het vuur en dut / Als donkere schimmen hand in hand / schuifelen schaduwen langs de wand …’.

We kunnen de rijmen ook een accolade laten maken: ‘Waar is die goede tijd gebleven / van griesmeel en van havermout / Vooral griesmeel smaakte als goud / ‘k Proefde erin het goede leven …’. Dit is ‘omarmend rijm’: a-b-b-a..

‘Een pils dronk de vorst toen met Poetin / Daar zijn die beiden heel goed in / Ze spraken de deelnemers moed in / Dat ging er bij de schaatsers zoet in / En Poetin plaatste toen zijn toet in / die van Ireen , fluisterde haar zoet in / Deze zak daar zit heel veel poet in …’. Dit is uit mijn gedicht ‘Ongein in schaatsslagrijm 2014’. Ik heb het geschreven om nog eens een duidelijk voorbeeld van ‘slagrijm’ te geven: a-a-a-a-a-a-a.

Er zijn veel dichters die zoveel mogelijk rijmen, vooraan de regel, midden in, achteraan. Er schiet me niet zo snel een voorbeeld te binnen uit bestaande gedichten van mezelf of anderen, dus ik bedenk er nu maar eentje, al tikkend: Mensen in mei naar buiten gegaan /  wensen op de hei in het zonnetje te staan / in lente en zon en onder helblauwe luchten / tenten en honderden vogels in vluchten / langs de hoge hemel zien gaan …’.

Onvolkomen, halfrijm of assonantie vind ik tegenwoordig veel meer in rijm dan een aantal jaren geleden. In de Middeleeuwen werd het trouwens ook heel veel gebruikt. De volgende definitie ervan is mij bekend: ‘Assonantie is gelijkheid van klinkers in sterk beklemtoonde lettergrepen’. Een voorbeeld: ‘Op het circuit van Assen stonden de ronkende motoren op het startsein te wachten’.

Ook in zogenaamd kunstproza wordt aan de lopende band geassoneerd. Lodewijk van Deijssel was daar goed in. Maar ik wil nu eens geen plagiaat plegen. Ik bedenk zelf maar iets: ‘Gezeten op mijn fiets, gebogen gelegen over het sjieke verchroomde stuur, reed ik door het troosteloze landschap. Ik  trapte voortdurend naar lucht happend en duwend op de pedalen om langzaam voort te gaan.. Ik hoorde ‘krak’ toen ik viel en kiepte … . Daar lag ik eensklaps in het natte gras. Ik pakte mijn mobieltje uit mijn tas en belde rap. Al gauw raasde een ambulance naar de plek waar ik lag en even later reed ik naar het hospitaal, waar ik werd opgelapt’. Nou ja, mooi is het niet en zeker geen kunst, maar het is wel proza.